Pagina:Nansen's Poolreis.djvu/49

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

47


Sterfte onder de honden.

Het rantsoen van de honden was langzamerhand verkleind tot het minst mogelijke, om met het weinige dat wij hadden toe te komen en hen zoo lang mogelijk in het leven te houden; maar zij werden ten slotte gaandeweg treurig zwak en uitgeput. Verscheidene der arme dieren trokken getrouw hun last voort, totdat zij plotseling neervielen van vermoeidheid, niet meer in staat om op te staan. Wij moesten ze dan wel terstond afmaken of wel we legden ze op een van de sleden en namen ze mee om hen af te maken als wij 's avonds ons kamp opsloegen.

In Juni werden de geulen talrijker. Het was lastiger dan ooit om er over te komen en het ijs was in een zeer slechten toestand. Honden, ski en sleden zakten, door de sneeuwkorst heen, diep in de weeke, nattige sneeuw daaronder. We hadden nu nog maar weinig honden en er gingen steeds meer dood. Er was naar het scheen, haast geen kans om verder te komen; maar wij hadden geen keus en tobden maar voort, zoo goed en zoo kwaad het ging, terwijl wij het rantsoen voor de honden en onszelven tot het hoognoodige verminderden.

Gelijk bekend is moet er volgens de kaart van Payer ten Noorden van Franz Jozefsland, op ca. 83° N.B. een land zijn, dat hij Petermann's