Pagina:Nieuwe Rotterdamsche Courant vol 069 no 098 Avondblad.pdf/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
2
NIEUWE ROTTERDAMSCHE COURANT. — DINSDAG 9 APRIL 1912 — AVONDBLAD, B.

 Het Philharmonische Koor te Weenen zal 23 dezer ten gehoore brengen een Ouverture – met koor – Prinzess Maleine van Cyril Scott, den 83sten Psalm van Alex. Zemlinsky en Das Klagende Lied von Gustav Mahler.



 Een lezer van de Münchener Neueste Nachrichten heeft Humperdinck te Meran bezocht en schrijft nu aan het blad: Het heerlijke klimaat heeft wonderen gedaan; Humperdinck gevoelt zich veel beter en maakt weer druk plannen voor de toekomst. „Zoodra ik volkomen hersteld ben en weer werken mag” – aldus heeft de componist gezegd – „ga ik een operette componeeren. Als God het wil, go ik half Mei naar Berlijn terug en dan weer direct aan het werk.”



 De koning en koningin van Engeland hebben aan het Victoria en Albert Museum eenige belangrijke instrumenten in bruikleen afgestaan: een oud harmonium, gemaakt bij Muller te Parijs, en speciaal vervaardigd om mee op reis te nemen; het kan uiteen genomen en in een betrekkelijk klein koffertje geborgen worden; voorts een in 1808 gemaakte piano, gemaakt door R. Jones, voor den toenmaligen Prins van Wales, en dan – wel het merkwaardigste stuk – een harp, gemaakt in 1612 door Hans Rucker te Antwerpen. Men zegt dat het instrument aan Händel toebehoord heeft: na ’s componisten dood is het eigendom geworden van Händel’s vriend en helper Smith, die het op zijn beurt aan koning George III heeft afgestaan.



Bioskopie en Censuur.

(Van onzen correspondent.)

Londen, 7 April. 

 De Londensche Graafschapsraad heeft, even vóór zijn Paaschreces, een besluit genomen, dat van bizonder belang is, en ook buitenslands de aandacht verdient waar een censuur op de lichtbeelden, in bioskopische schouwburgen vertoond, door velen wordt bepleit, om redenen, welke vrij algemeen bekend zijn, en trouwens voor de hand liggen.
 Voorstanders eener dergelijke bioskopische censuur worden ook hier aangetroffen, en sommigen hunner hebben getracht den Londenschen Graafschapsraad over te halen haar binnen het graafschap in te voeren. Hun desbetreffend verzoekschrift is toen in handen gesteld der bizondere commissie voor schouwburgaangelegenheden. En het was haar rapport, dat door den Graafschapsraad, omtrent het middernachtelijk uur, in overweging genomen en afgedaan werd.
 Bedoeld rapport strekte, om het censuurvoorstel te wijzen van de hand en met groote meerderheid van stemmen heeft de Graafschapsraad zich met de conclusiën zijner schouwburgencommissie vereenigd. Een korte, doch belangwekkende beraadslaging is aan deze beslissing voorafgegaan. De progressist Smallwood deed, namens de voorstanders eener bioskopische censuur, aan de hand, de adviezen der schouwburgencommissie terug te zenden, met de opdracht, om andere adviezen voor te dragen. Smallwood betoogde, dat zulk een censuur noodig was geworden. „Vele bioskopische lichtbeelden,” zeide hij, „zijn verderfelijk walgingwekkend en zij hebben een ontzenuwende uitwerking, bovenal op het gemoed van jeugdige toeschouwers.”
 Hij bleek evenwel slechts enkele graafschappelijke raadsleden aan zijn zijde te hebben. De volkomen juiste opmerkinig werd gemaakt dat ’t geen zin hebben zou, om een afzonderlijke bioskopische censuur van geheel plaatselijken aard, immers voor Londen alleen geldig, in te voeren, allerminst op een oogenblik, dat de oneindig gemakkelijker toe te passen censuur voor de gewone schouwburgen en tingeltangels reeds aan allerlei vinnige kritiek blootgesteld staat, wordende haar algeheele afschaffing door velen bepleit.
 Het hoofdpunt, in de conclusiën der schouwburgencommissie vooropgesteld, was wel dit: het tegenwoordige stelsel van toezicht op de bioskopische schouwburgen heeft volkomen goed gewerkt en er bestaat geen reden een ander ervoor in de plaats te wlllen stellen. Dat stelsel komt hierop neer: er is geen censuur van ambtswege; het publiek oefent haar zelf uit door bemiddeling der toeschouwers. Ziet een hunner, of zien eenigen hunner, iets onbehoorlijks vertoond in een bioskopischen schouwburg, zoo kan de schouwburgencommissie gewaarschuwd worden. Zij stelt een onderzoek in en beslist dan naar bevind van zaken.
 In den regel is een vermaning, tot den eigenaar van den desbetreffenden bioskopischen schouwburg gericht, voldoende. Hij weet, dat zijn vergunning gevaar loopt, als hij wenken en vermaningen stelselmatig in den wind slaat. Wij hebben gezien wat er gebeurd is, toen de „bombardier” Wells met den neger Johnson zou boksen in Earl’s Court. De minister van binnenlandsche zaken heeft destijds dat vuistgevecht verboden, doch eer zijn oekas [?] verscheen, had toch reeds de Londensche Graafschapsraad de eigenaars van bioskopische schouwburgen verwittigd, dat lichtbeelden, met voorstellingen dezer bokspartij hier allicht evenveel aanstoot zouden kunnen geven als indertijd de walgingwekkende lichtbeelden betreffende het vuistgevecht te Reno, zelfs in Noord-Amerika, waar zij, op tal van plaatsen, tot bloedige vechtpartijen, tusschen blanken en negers, en tot allerlei geweldenarijen hebben gevoerd.
 Ik houd mij overtuigd dat, indien zelfs de bokspartij te Earl’s Court ware doorgegaan, slechts zeer weinige lichtbeelden erover hier in bioskopische scbouwburgen zouden zijn vertoond. De meeste menschen van eenig fatsoen zouden ze niet hebben willen aanschouwwen, en hoogst enkele ondernemers trouwens maar bij machte geweest zijn, voor de vliesjes de buitensporige prijzen te betalen, die de vervaardigers ervan eischten.
 Er bestaan overal natuurlijk wel menschen, die juist in het vieze of walgelijke behagen scheppen en veel geld ervoor over hebben, om allerlei gedrochtelijkheden in lichtbeelden voor oogen gevoerd te krijgen. Zulke lieden vinden, het spreekt van zelf, hun leveranciers, maar geen censors zouden beiden ooit kunnen achterhalen, omdat de vertooningen heimelijk ’s nachts ergens gehouden worden, waarbij enkel „geabonneerden” toegang hebben.
 De politie, alleen zou in dergelijke gevallen kunnen optreden, doch ’t ligt voor de hand, dat de schuilplaatsen van zulke verboden bioskopische schouwburgen heel moeielijk te ontdekken zijn. Zij verplaatsen zich alle avonden, nestelen ergens binnenshuis en de ondernemers beschikken over alle middelen, om zich tegen overrompelingen te verzekeren.
 Neen, Ik moet zeggen, dat openbare vertooningen van bioskopische lichtbeelden van misdaden en gruwelen hier te lande, voor zoover mij bekend, tot dusverre slechts weinige geweest zijn. Houndsditch noch Sydney-Street heb ik in een bioskopischen schouwburg van eenigen naam te Londen zien adverteeren.
 Vergelijk nu eens deze betrekkelijke Engelsche gematigdheid in de sensationeele bioskopie met de bandeloosheid, welke in Amerika, misschien ook wel in sommige vastelandsche staten, heerscht. De berichtgever te New-York der Daily Telegraph vertelde ons, eenige dagen geleden, dat de Amerikaansche bioskopisten enorm veel werk hebben gemaakt van de „heldendaden” der gevaarlijke boevenbende in West-Virginië, die onder aanvoering van zulke desperado’s als Sidna Allen en Wesley Edwards, zoolang een schrikbewind heeft weten te handbaven in de spelonken en bergwouden aldaar, en onlangs de gerechtszaal te Hillsville in een moordhol verkeerde; door rechter, sheriffs, enz. neer te schieten.
 De expeditie der politie, enz., is nu bezig de moordenaarsbent in haar laatste sluiphoeken op te sporen en onschadelijk te maken.
 De man der Daily Telegraph deelt ons mede, dat een geheel heirleger van bioskopisten die expeditie overal volgt. Het zijn, seint hij, welgeoefende lieden, die alles – het moordtooneel te Hillsville, de vlucht der snoodaards naar de bergen van West-Virginië en het „beleg” aldaar – behoorlijk ingestudeerd en reeds in de bioskopische schouwburgateliers, waarover ik onlangs schreef, opgevoerd hebben. Dank zij hun ondernemingsgeest, zegt de correspondent der D. T., kent elke stad, elk dorp der Vereenigde Staten het gebeurde even goed als de West-Virginiërs zelf.


Wetenschappelijke Berichten.



 Men meldt ons uit Enschede:
 Den zevenden Mei van dit jaar zal het vijftig jaren geleden zijn, dat de stad Enschede bijna geheel door brand werd verwoest. Deze gebeurtenis zal worden herdacht door de Oudheidkamer Twente, alhier.
 Als een der punten op het program komt voor eene tentoonstelling van verscheiden voorwerpen, betrekking hebbende op Oud-Enschede en op den brand van 7 Mei 1862. Verschillende zaken zijn reeds in het bezit der vereeniging, andere zijn haar toegezegd, doch waar zij nog zeer onlangs door het bestuur dezer gemeente kennis kreeg van eene collectie herinneringsstukken aan den brand, uit Rotterdam ontvangen, doet zij een beroep op hen, die misschien nog in het bezit kunnen zijn van bovenbedoelde voorwerpen, om haar deze voor eenigen tijd in bruikleen af [te staan] [alsm?]ede het beeld van de ramp met te meer duidelijkheid aan het tegenwoordig geslacht te kunnen voorleggen. Uit de reeds verkregen voorwerpen is aan het bestuur van de „Oudheidkamer Twente” gebleken, hoe ver deze zijn verstrooid.



Giovanni Pascoli. †

 De lyrische dichter prof. Giovanni Pascoli, van wiens ernstige ziekte wij melding gemaakt hebben, is Zaterdagmiddag drie uur te Bologna, waar hij hoogleeraar was, overleden. Hij heeft niet alleen naam gemaakt als dichter in zijne moedertaal, maar ook door zijne schitterende Latijnsche verzen, die hem, gelijk wij pas in herinnering hebben gebracht, negenmaal den prijs uit het Hoeufttiaansche legaat bezorgden.



 In het Parthenon te Athene is Zondag het 16de oriëntalisten-congres feestelijk geopend, in tegenwoordigheid van het koninklijke paar en den Kroonprins als eerevoorzitter van hel comité van ontvangst. De minister van onderwijs, de rector van de hoogeschool te Athene, welke juist in deze dagen haar 75-jarig bestaan viert, en een Engelschman, een Franschman en een Duitscher voerden het woord.
 Het congres nam daarna het werk tot herstelling van de Propylaeën in oogenschouw en woonde een door de studenten van de universiteit gegeven receptie bij. ’s Avonds zou er in tegenwoordigheid van het koninklijke gezin weer een feestelijke bijeenkomst in het gebouw van de universiteit zijn.
 Toevallig viel Zondag niet alleen het Paaschfeest van de oostelijke en westelijke kerken samen, maar was het ook voor de orthodoxe kerk Maria Boodschap en voor Griekenland de gedenkdag van ’s lands onafhankelijkheid. Dit laatste feest is echter Maandag gevierd.



 De lucht bij Kaap Hoorn bevat merkwaardig weinig koolzuur. Dit geringe koolzuurgehalte kan men verklaren door de lage temperaturen der groote zeevlakten in de antarctische streken. Men weet, door Schloesing, dat de zee een voorraadmagazijn van koolzuur is, door de daarin aanwezige bicarbonaten de neiging tot dissociatie hebben. Er bestaat evenwicht tusschen het koolzuurgehalte der lucht en den voorraad in het zeewater, als regulator van het eerste functionneerende. Op hooge breedten is de temperatuur van het water laag, en, in verband met de dissociatiespanning der bicarbonaten, het koolzuurgehalte der lucht laag. Inderdaad is dit het geval in de buurt van Kaap Hoorn.



 In een klein geschrift, getiteld Het Radium en de Geneeskunde (Amsterdam. – H. Meulenhoff), heeft de arts Is. Zeehandelaar J.B.z. veel wetenwaardigs aangaande de toepassing van verschillende stralen en radio-actieve stoffen op het gebied van de geneeskunde bijeengebracht. Het boekje is in algemeen bevattelijken vorm geschreven en heeft niet meer willen geven dan „een eenvoudig overzicht van den tegenwoordigen stand der radium-therapie.”



 Om de nieuwe leer der psycho-analyse van prof. S. Freud ook in Nederland bekend te maken, heeft dr. J. E. G. van Emden in den Haag vijf lezingen van Freud, welke ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan der Clark-universiteit in Worcester (Mass.) zijn gehouden, uit het Engelsch vertaald en onder den titel: Over psycho-analyse bij S. C. van Doesburgh te Leiden in het licht gegeven.
 Dr. van Emden gelooft in de nieuwe leer en verklaart ervan in een voorbericht:
 „Ruim twee jaar geleden, toen ik van de kathartische behandelingsmethode en van psycho-analyse nog slechts uit referaten had kennis genomen, maakte het ziekteverloop bij eene patiënte met ernstige zenuwverschijnselen een grooten indruk op mij.
 Toen zij mij namelijk na het overwinnen van veel weerstand eindelijk onder hevige gemoedsbeweging de geschiedenis van een voor haar hoogst krenkende bejegening had toevertrouwd, bleek zij plotseling van een zeer hinderlijk ziekteverschijnsel bevrijd te zijn, een verschijnsel, dat duidelijk in verband stond met de situatie, waarin zij zich destijds had bevonden, terwijl zij zich zoo had weten te beheerschen, dat de omgeving niets van wat er in haar omging bespeurd had. Deze observatie gaf mij aanleiding de psychoanalyse nader te bestudeeren en deze ging mij meer en meer boeien, naarmate ik langzamerhand zoowel bij patiënten als bij gezonden ervaringen opdeed, die de waarnemingen der Freud’sche school in hun onderlingen samenhang bevestigden.
 Vooral de lessen en de voorlichting, die ik van prof. S. Freud te Weenen en dr. C. G. Jung in Zürich persoonlijk mocht ontvangen, hielpen mij verder op weg met deze studie, die daarom zoo moeilijk is, omdat men zich alleen door zelfstandig onderzoek en door zelfanalyse, en wel met behulp van een moeilijk te leeren en tijdroovende techniek, op alle punten een eigen overtuiging kan vormen.
 Ondanks dit alles groeit de psycho-analytische beweging gestadig en terwijl niet meer dan een tiental jaren geleden Freud met enkele leerlingen alleen stond en vrijwel dood gezwegen werd, bestaat er sinds eenigen tijd eene internationale psycho-analyltische vereeniging met reeds meer dan honderd leden (behalve geneeskundigen ook een aantal juristen, litterotoren, theologen en psychologen) die, met Weenen en Zürich als hoofdcentra, in verschillende steden van Europa en Amerika verspreid zijn.
 Hehalve in boeken, brochures en artikelen in verscheidene vaktijdschriften, worden de resultaten van hunne onderzoekingen geregeld gepubliceerd in een drietal tijdschriften, die uitsluitend aan de studie der psycho-analyse en daarmede verband houdende vraagstukken gewijd zijn, terwijl dit jaar in München de vierde groote jaarlijksche bijeenkomst der psycho-analytici zal plaats hebben.”



Mededeelingen en Aanbevelingen

(buiten verantwoordelijkheid van de Redactie).



Nieuwe Rotterdamsche Courant vol 069 no 098 Avondblad advertisement Veendammer Hypotheekbank.jpg

Oeconomische en Financieele Mededeelingen.



 Naar men verneemt, zal de directie der N. V. Het Nederlandsche Veem, te Amsterdam, aan de algemeene vergadering van aandeelhouders voorstellen over het boekjaar 1911 een dividend uit te keeren van 4.8 (v. j. 4) pct.



 Het agentschap Amsterdam der Nederlandsch-Indische Escompto Mij. deelt mede, dat het bestuur der mpij. zal voorstellen een dividend van 8 pct. uit te keeren, evenals v. j. De algemeene vergadering zal op 19 Juni a.s. te Batavia worden gehouden. Daar zal tevens o. m. voorgesteld worden, de statuten in overeenstemming met gevoelde behoeften te wijzigen en een regeling in zake het pensioenfonds te treffen.



 Commissarissen van de Geldersche Credietvereeniging te Arnhem stellen voor over het afgeloopen jaar uit te keeren 10 (v. j. 8¼) pct. dividend en aan de krediettrekkende aandeelen, welke sedert 31 December l.l. opgehouden hebben te bestaan, 6.2 (6.7) pct.



 De algemeene vergadering van aandeelhouders in de Mij. „Stadhouderslaan” tot exploitatie van onroerende goederen, te ’s-Gravenhage, heeft de balans per 31 December 1911 en de verlies- en winstrekening over 1911 goedgekeurd. Van de winst over dat jaar ad f 63.411 is extra gereserveerd f 10.909, waardoor het reservefonds met inbegrip van de statutaire reserve is gestegen tot f 25.000, terwijl als onverdeeld winstsaldo naar het nieuwe boekjaar is overgebracht een bedrag van f 12.502. Het dividend is vastgesteld op 25.6 (v. j. 28.268) pct. Goedgekeurd is een voorstel van het bestuur om het kapitaal te vergrooten tot f 500,000 en hiervan voorloopig 200 aandeelen van f 1000 uit te geven met 25 pct. verplichte storting en tegen den koers van 125 pct. ten volle deelende in het dividend over 1912. Deze aandeelen zijn staande de vergadering alle geplaatst.



 Bij de spaarbank te Vlaardingen is in1911 ingelegd f163.629 (v. j. f141,569) en terugbetaald f169.215 (f164.068). Het saldo tegoed, aan 2294 (1869), inleggers verschuldigd, bedroeg op 31 Dec. j.l. f877,552 (f858,094). Er werd wederom 8 pct. rente vergoed. Het totaal der beleggingen beliep op 31 Dec. j.l. f1,029,316 (f1,017,432), waarvan o. a. f 220,592 (f 228,188) in hypotheken, f 146,660 (f155,211) in Staatsfondsen, f94,066 (f129,557) in schuldbrieven ten laste van publiekrechtelijke lichamen, f320,021 (f299,020) in Nederlandsche en f160,870 (f163,145) in buitenlandsche obligatiën en schuldbrieven en f51,000 (f14,500) op prolongatie uitgezet was. Uit de beleggingen werd f37,636 (f37,829) rente gekweekt, terwijl aan inleggers f25,044 (f25,110) rente vergoed werd. De reserve bedroeg op 31 Dec. j. l. f151,763 (f159,838).



Port-Arthur Rice & Irrigation Cy.

 De leider van het Internationaal Land Syndicaat heeft aan de houders van de 6 pct. obligatiën ten laste der Port Arthur Rice & Irritlation Cy. een circulaire gezonden, waarin hij meedeelt, dat het bedrijf van de mpij., betwelk bestaat in water te leveren aan de boeren, gevestigd aan de kanalen der mpij. voor de uitoefening van de rijstcultuur, in de laatste jaren minder loonend is geworden door de omstandigheid, dat de boeren steeds denzelfden grond met rijst beplanten en dientengevolge een minderwaardig product verkrijgen. De mpij. werd nl. tot dusver steeds met rijst betaald. Om de nadeelen, die daaruit voor de mpij. volgen, te ontwijken, is besloten, dat in het vervolg niet meer met rijst, doch in geld het water zal worden betaald. Dit is echter niet voldoende om het bedrijf wederom winstgevend te doen worden. Daarvoor is noodig, dat nieuwe grond in cultuur wordt gebracht en de oude aan wisselbouw onderworpen. Nu grenzen aan de gronden, die de P. A. Rice & Irrigation Cy. zelf bezit, duizenden acres van de Port Arthur Land Cy., van welke mpij. het Internationaal Land Syndicaat twee derden der aandeelen bezit. Deze grond is aangewezen om in de behoefte van de P. A. Rice & Irrigation Cy. aan maagdelijken grond te voorzien, doch die grond kan niet in cultuur worden gebracht, tenzij hij gedraineerd wordt. De leider van het syndicaat heeft besloten ten behoeve van het Internationaal Land Syndicaat $ 50,000 te leenen aan de P. A. Rice & Irrigation Cy., om een deel dier gronden van de P. A. Land Cy. te koopen en te draineeren, zoomede den grond van de P. A. Rice & Irrigation Cy., die tot dusver niet in cultuur is geweest, omdat hij te vochtig was, eveneens te draineeren. De leening van $ 125,000 waarin de houders der obligatiën deelgerechtigd zijn, loopt echter 1 Juni a.s. af en de leider van het syndicaat wil dan alleen uitvoering geven aan zijn voornemen om de middelen van de P. A. Rice & Irrigation Cy. uit te breiden, wanneer de houders der obligatiën bereid worden gevonden hun leening voor tien jaar te verlengen. Zijn zij hiertoe genegen, dan wil de leider van het syndicaat de gronden, die aangekocht zullen worden, onder het hypothecair verband brengen, die de houders der obligatiën op de tegenwoordige bezittingen van de P. A. Rice & Irrigation Cy. hebben. Tegenover de verlenging van de hypothecaire leening zal derhalve staan een uitbreiding en waardevermeerdering van het onderpand. De $ 50.000 die het Internationaal Land Syndicaat zal leenen aan de P. A. Rice & Irrigation Cy., zullen geen hypothecair verband bebben en niet kunnen worden teruggevorderd, zoolang de hypothecaire leening niet is afgelost. De hypotheek der geprolongeerde leening zal worden ingeschreven ten name van den tegenwoordigen trustee, de Fidelity Trust Cy. te Kansas City. Houders van obligatiën worden dus uitgenoodigd, hun stukken bij het Amsterdamsch Trustee’s Kantoor te deponeeren, waarna de leening overeenkomstig het bovenstaande zal worden verlengd en de aan te koopen gronden met de tegenwoordig verbondene onder de hypotheek worden gebracht.



Ned.-Indisch Landbouw-Syndicaar.

 Blijkens het verslag over 1911 van het Nederlandsch-Indisch Landbouw-Syndicaat hebben de totale inkomsten begroot op f15,115 in werkelijkheid bedragen f14674. Dat deze minder bedroegen dan geraamd was, moet worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat nog niet alle vereenigingen hun bijdragen voor 1911 geheel gestort bebben. Verwacht wordt echter dat de achterstand, die ongeveer f1000 bedraagt, spoedig zal zijn aangezuiverd. De gewone uitgaven, eveneens begroot op fl5,115, bedroegen in werkelijkheid f11,076, zoodat zonder de subsidie aan het vezelcongres, een overschot van f1038 op de begrooting zoude te constateeren geweest zijn, Intusschen zijn de uitgaven voor dat congres, die in bovenbedoelde uitgaven dus niet begrepen zijn, tengevolge van de groote uitbreiding die de machinehal moest ondergaan door de groote inzendingen van de zijde der machinefabrikanten – waarop bij het opmaken der begrooting niet in die mate gerekend was – zeer belangrijk geweest, zoodat in 1911 al een bedrag ad f11.628 ter beschikking van vezelcongres met tentoonstelling moest worden gesteld. Het tekort, waarin het syndicaat zal hebben te voorzien, zal echter naar men verwacht de f3 à 4000 niet te boven gaan, zoodat het syndicaat in elk geval 1912 zonder nadeelig soldo ingaat, daar bij een tekort van f4000 van het vezelcongres nog fl979 op nieuwe rekening kon worden overgebracht.
 In het afgeloopen jaar verschenen 18 publicaties, welke hoofdzakelijk gewijd waren aan mededeeling van de notulen der vergaderingen van de plaatselijke vereenigingen en aan mededeelingen van het syndicaat betreffende de verrichtingen van het syndicaat ten behoeve van het vezelcongres met tentoonstelling 1911.
 Het verslag bespreekt voorts het vezelcongres met de daaraan verbonden tentoonstelling en geeft vervolgens een overzicht van de verschillende onderwerpen, welke het syndicaat in behandeling heeft genomen.
 Aangedrongen wordt op aansluiting van plantersvereenigingen in de buitenbezittingen.
 Het syndicaat nam het initiatief tot het houden van een rubbercongres met tentoonstelling. Alle leden van het hoofdbestuur betuigden hun instemming met het voorstel, dat congres internationaal te doen zijn en het te houden in samenwerking met het departement van landbouw, nijverheid en handel.



De Fransche staatsspaarbank.

 In ons Ochtendblad van 5 April jl. konden wij reeds melding maken van de uitkomsten door de Fransche bijzondere spaarbanken in 1911 verkregen. Van de Fransche staatsspaarbank zijn het evenwel pas de resultaten over 1910 welke nu worden openbaar gemaakt. In genoemd jaar werd er bij deze spaarbank in 4,757,929 posten ingelegd voor een bedrag van fr. 625,844,468, uitkomende in doorsnee op 131 francs per post. Onder deze inlagen kwamen voor 78 overboekingen uit de Belgische staatsspaarbank en de Italiaansche postspaarbank tot een bedrag van fr. 29,295 en 39,899 posten van voor de inleggers geïncasseerde rente van in bewaring genomen staatsschuld tot een bedrag van fr. 404,170.
 Terugbetaald werd in 2,601,373 posten een bedrag van fr. 596,389,756, waaronder 12,651 aankoopen van rente ten beloope van fr. 12,460,422, 98 overboekingen naar buitenlandsche spaarbanken van totaal fr. 58,329 en 2031 in het buitenland gedane terugbetalingen op boekjes der Fransche Staatsspaarbank tot een bedrag van fr. 801,215. Gemlddeld werd per post terugbetaald fr. 229.
 Het tegoed der inleggers bedroeg einde 1910 fr. 1,709,714,869, zijnde gemiddeld fr. 295 per inlegger.
 In 1910 werden 591,238 nieuwe boekjes afgegeven, 348,091 geheel afgelost, zoodat het aantal inleggers steeg tot 5,786,035.
 De verdeeling van de nieuwe inleggers naar hun beroep wijst aan, dat daaronder voorkwamen: landbouwers, fabrikanten, kooplieden (26,800 mannen, 4320 vrouwen) 5.27 pct., daglooners enz. (50,972 m., 12,424 v.) 10.73 pct., fabrieksarbeiders (74,096 m., 43,156 v.) 19.95 pct.; dienstboden (25,200 m., 42,876 v.) 11.52 pct.; militairen (28,100 m., 12 v.) 4.83 pct.; beambten enz. (16,712 m., 10,333 v.) 9.66 pct.; vrije beroepen (10,596 m., 4161 v.) 2.55 pct.; personen zonder beroep (21,283 m., 66,996 v.) 14.95 pct. en kinderen zonder beroep (62,980 m., 58,801 v.) 20.61 pct.



Chili.

 In het jaarverslag over 1911 der Bank für Chili und Deutschland wordt omtrent den algemeenen gang van zaken inde republiek in dat jaar o. a. het volgende opgemerkt: Het jaar 1911 heeft in Chili over het geheel genomen een rustig verloop gehad. Van den graanoogst, waarmede thans een begin is gemaakt, verwacht men een gunstig resultaat, hetwelk dat van het vorige jaar zal overtreffen. De veeteelt heeft nu en dan te lijden gehad van de droogte, terwijl later hier en daar de ongewoon sterke regens nadeel toebrachten. De salpeter-nijverheid kon bij de hernieuwde aanzienlijke vermeerdering van het wereldverbruik in 1911 verder toenemen en bevindt zich op het oogenblik in een gunstige conditie: alleen bestaat er in Noordelijk Chili een merkbaar gebrek aan arbeidskrachten. Ondanks de toevloeiing van kapitaal uit het buitenland was de wisselkoers, die in het begin des jaars op 1015/<sub?18 d. stond, op 31 December 1911 tot 1011/12 d. verminderd. Tengevolge van politieke ongerustheid daalde hij in October 1911 zelfs tot 9½ d.
 Wat Bolivia aangaat, waar de bank eveneens haar arbeidsveld heeft, wordt in het verslag gezegd, dat dit land ook in 1911 voordeel trok uit de hooge tinprijzen. De met medewerking van de regeering opgerichte Banco da la Nacion Boliviana is in 1911 met een kapitaal van circa 16 millioen bol. haar werkzaamheden begonnen. De Boliviaansche valuta bleef zich op de goudpariteit handhaven. Het jaar begon met een wisselkoers van 19¼ d. en sloot met een noteering van 19¼ d.



Rendierteelt op de heide van Jutland.

 Consul-generaal Rietbergen te Kopenhagen vestigt in het laatste nummer van handelsberichten de aandacht op de proef, welke in de laatste jaren in Denemarken genomen is, om rendieren uit Noorwegen te importeeren, teneinde de bewoners der groote heidestroken in Jutland een nieuwe bron van inkomsten te geven, en voordeel te trekken uit de groote hoeveelheden rendiermos en korstmos, die tot voor eenige jaren als onbruikbaar werden beschouwd. Wel worden in Denemarken, evenals in Nederland, de meer vruchtbare gedeelten der heide bebouwd, terwijl de minder vruchtbare bodem met sparren en dennen wordt beplanmt, doch men heeft groote stukken, die voor landbouw en voor reboisatie te onvruchtbaar waren, moeten laten liggen. Het is juist op deze stukken onvruchtbare heide, die voor niets anders bruikbaar zijn, dat nu een proef wordt genomen met rendieren. Het blijkt namelijk, dat op deze onvruchtbare heide het zoogenaamde rendiermos en korstmos, wat een zeer gezocht voedsel voor rendieren is, het weligst tiert. Een der hoofdvragen, die het eerst in aanmerking kwam, was, in hoeverre het betrekkelijk zachte klimaat in Denemarken een hinderpaal zou opleveren voor den invoer von rendieren, die uit de noordelijkste gedeelten von Noorwegen waren geïmporteerd. Dit punt is zeer bevredigend beantwoord, daar de genomen proef bewezen heeft, dat de ingevoerde rendieren het kilmaat in Denemarken zeer goed verdragen. De heide in Jutland, hoewel te schraal voor andere dieren, levert genoeg voedsel op voor het rendier. Wanneer men het vrij laat rondloopen is een oppervlakte van 25 H. A. land groot genoeg voor ongeveer 15 rendieren en deze kudde kan jaarlijks ongeveer f375 opbrengen. De prijs van een rendier is thans f100, doch wordt natuurlijk belangrijk minder, wanneer het proefstation in Jutland kalveren kan gaan laveren. Het vleesch is zeer smakelijk en goedkooper dan rundvleesch. Het wordt in Denemarken tegen den gemiddelden prijs van 50 cts per pond verkocht. Het gewei, dat ieder jaar afvalt, wordt in Duitschland voor f10 verkocht. In den ruitijd verharen de dieren 2 à 4 keer en het haar wordt tegen 2 à 3 gulden per dier verkocht. De rendierhuid wordt drie à vier keer zoo hoog betaald als een schapevel. Een lam, in het voorjaar geboren, kan in het najaar voor f25 verkocht worden, zonder dat eenige noemenswaardige onkosten aan voedsel zijn besteed. Hoewel het rendier vette melk geeft, is de hoeveelheid zeer gering: in Jutland worden de dieren dan ook niet, zooals in Noorwegen het geval is, gemolken.
 Aangemoedigd door het slagen der proefneming in Jutland, heeft men in Duitschland het plan opgevat, op de Lüneburger heide ook proeven te nemen, en de kans van slagen is ook in Nederland, waar het klimaat en de gesteldheid des bodems zoo zeer met de Deensche overeenkomen, naar de meening van consul Rietbergen, niet uitgesloten. Het schijnt echter vooralsnog raadzaam te zijn, verdere resultaten van het proefstation in Jutland af te wachten, alvoren proeven in andere landen te nemen. Wel is het gebleken, dat het rendier met succes in Jutland kon worden ingovoerd, doch het betrekkelijk nog jonge proefstation te Frederiks in Jutland kan, hoewel van verscheidene zijden aanvragen voor den verkoop van jonge kalveren zijn ingekomen, nog geen resultaten voor de heidebewoners aanwijzen, en ook kan nog niet worden gezegd, of ook de nakomelingen der geïmporteerde dieren hun goede eigenschappen zullen behouden, of in het tweede en derde geslacht zullen degenereeren.



Een nationale Kamer van Handel en Nijverheid in de V.S.

(Van onzen correspondent).

New-York, 26 Maart. 

 President Taft’s grootsche ontwerpen, het wederkeerigheidsvergelijk met Canada, de scheidsgerechtverdragen met Engeland en Frankrijk bemiddelingsraden tusschen werkgevers en werknemers, zij hebben alle om zoo te zeggen schipbreuk geleden. Thans echter is er op het Witte Huis aan een nieuw voorstel het aanzijn gegeven, dat misschien den ontwerper minder wereldroem belooft dan de beide eerstgenoemde in uitzicht stelden, maar niettemin – zoowel voor het binnenlandsche als voor het buitenlandsche handelsverkeer – bijzonder veel geriefelijkheid zal kunnen opleveren.
 Een nationale Kamer van Koophandel, zooals door den president der republiek wordt voorgestaan, schijnt – in tegenstelling met diens andere lievelingsdenkbeelden – geenszins bloot te staan aan invloeden, welke de verwezenlijking ervan in de waagschaal stellen. Integendeel is men het i. h. a. met Taft eens. Dr. Baldwin, boofd van het z. g. Bureau of Manufactures of the Department of Commerce and Labor te Washington heeft een, van regeeringswege uitgegeven, vlugschrift laten verschijnen, waarin over zulk een Kamer doelmatige inlichtingen worden verstrekt. Niet ten onrechte is er beweerd, dat er hier te lande tien jaren geleden feitelijk slechts weinige doeltreffend samengestelde vereenigingen op het gebied van handel en nijverheid bestonden. Heden ten dage telt men in de Vereenigde Staten nagenoeg 6000 lichamen, welke, onder den naam van Board of Trade dan wel Chamber of Commerce, blijk geven van den ondernemenden en ontwikkelenden geest, waarvan voorheen zoo uiterst weinig Kamers van Koophandel getuigden.
 Dit acht Baldwin bovenal van groote beteekenis nu er een nationale instelling ten behoeve van handel en nijverheid van regeeringswege zal kunnen worden in het leven geroepen. Die duizenden lichamen, welke metterdaad in een behoefte blijken te voorzien, duiden op de gelegenheid, welke ongetwijfeld zal worden aangegrepen door alle elementen, welke belang hebben bij onderlinge aaneensluiting en samenwerking.
 „Indien”, zegt Baldwin, „dit nieuwe nationale lichaam in den aanvang nog slechts dienst doet als ware het „a clearing house for information in regard to its various constituent members”, dan zal er reeds een krachtiger drijfveer tot het aanwakkeren van den handel en de nijverheid in de betrokken oorden zijn ontstaan dan op eenige andere wijze – voor het oogenblik althans – zou kunnen worden samengesteld. Waarschijnlijk zullen het bovenal de minder krachtige Kamers van Koophandel, in steden van den tweeden of van lageren rang, wezen, welke het grootste voordeel zullen trekken van de gelegenheid om op de hoogte te worden gesteld van hetgeen de overeenkomstige lichamen in metropolen en in de hartaders van ’s lands handel en nijverheid weten tot stand te brengen. Juist eerstbedoelde instellingen zullen mede het meeste nut kunnen hebben van hetgeen de landsregeering, met behulp van haar verspreide vertakkingen, in staat is tot bevordering van het beoogde doel te ondernemen.... Men denke hierbij tevens aan den tegenwoordig zoo voorbeeldig ingerichten consulairen en ook diplomatieken dienst der Vereenigde Staten.”
 Wanneer de te Washington te vestigen bureelinrichting doelmatig wordt toegerust opdat „de Nationale Kamer van Koophandel en Nijverheid zooveel mogelijk zal kunnen dienen als een centraal zenuwstelsel van het gemeenschapsleven, dat tusschen onderscheidene lichamen kan worden te voorschijn geroepen, dan moet zij onschatbare diensten bewijzen. Tot het geven van openbaarheid aan allerlei desbetreffende aangelegenheden van algemeen belang zal dit bureel natuurlijk tegenover het publiek gehouden wezen....
 Wat de werkzaamheden van dit landsbureel betreft, heeft men te kennen gegeven, dat zijn taak, beknopt, als volgt zoude kunnen worden samengevat:
 Een wederkeerige betrekking tot stand te brengen tusschen plaatselijke en regeeringsverrichtingen ten behoeve van de ontwikkeling van allerlei takken van bedrijf, zoodat krachtsverspillingen, zooals thans kunnen voorkomen, worden vermeden. Voor vorenbedoelde handelingen zooveel mogelijk waardeering in den lande te doen ontstaan. Het ontwerpen en voorstellen van verdere stelsels en handelingen, waaruit zoowel de plaatselijke lichamen als de landsregeering voordeel kunnen putten tot verwezenlijking van hetgeen in het algemeen wordt beoogd.
 Voor het departement van koophandel en arbeid, hetwelk de Nationale Kamer van Handel en Nijverheid onder zijn bereik zal krijgen, vormt de werkzaamheid van deze laatste een punt van het grootste belang. Het zal hiervan bij zijn onderzoekingen groot nut ondervinden.
 Omtrent het voorstel zal er in April een conferentie tusschen Senaat en Huis van Vertegenwoordigers worden gehouden. Als bestuursleden der ontworpen Kamer zullen personen worden aangewezen, bezield met den grootsten arbeidslust en beschikkende over dergelijke vorming en technisch ervarenheid. Ten deele zullen zij, die persoonlijk in een of andere onderneming op handels- of nijverheidsgebied met succes zijn werkzaam geweest, in het bestuur komen.



 Volgens Evening Post heeft het in Wallstreet zeer de aandacht getrokken, dat enkele bankinstellingen aangeboden hebben op gunstige voorwaarden beleeningen te verschaffen op koperwaarden. De leeningen werden n.l. voor 6 maanden tegen 4¼ pct. aangeboden, terwijl op de geldmarkt voor gewone beleeningen voor 6 maanden 4 pct. besteed moest worden. Het onderpand kon voor de helft uit koperaandeelen bestaan en voor het overige gedeelte uit andere industrieële aandeelen terwijl men zich moest verplichten steeds een surplus van 25 pct. te laten liggen. Gewoonlijk is het verschil tusschen de beleeningsrente voor koperwaarden en de gewone beleeningsrente te New-York veel grooter dan ¼ pct.



Mijnbouw Maatschappij Totok.

 Zooals reeds gemeld, zijn volgens van de onderneming ontvangen telegram in Februari jl. vermalen 7500 ton erts die voor een geschatte waarde van f 40,000 aan amalgaam opleverden. Inclusief de Februari-productie bedroegen de beschikbare middelen op 1 Maart ca. f 54,000. Verder seinde de ingenieur, dat het regengetij nog niet ingetreden is. In Februari werd naar de onderneming voor werkkapitaal overgemaakt f 26,000, makende, met de andere gewone uitgaven, een totoal van f 38,646. Verder werd betaald: aan developpeerwerk, honorarium gedelegeerde van obligatiehouders en voor aflossing van de resteerende 70 obligates totaal f 9782.


Nieuwe Rotterdamsche Courant vol 069 no 098 Avondblad advertisement Van der Hoop.jpg

Oost Indië.

 Wij hebben. met de Indische mail (Fransche dienst) bladen van Java t/m. 14 Maart ontvangen.

BATAVIA, 14 MAART.


JAVA EN MADOERA.



Gebruik van inlandsche hulptroepen.

 Van den eersten gouvernements-secretaris ontvingen de bladen de volgende circulaire:
 „Uit verschillende rapporten is den gouverneur-generaal gebleken, dat in den laatsten tijd, voor de beteugeling van plaatselijk verzet, soms weder gebruik wordt gemaakt van inlandsche hulptroepen ter ondersteuning van de militaire macht.
 Naar aanleiding hiervan heeft de landvoogd mij opgedragen, van welke opdracht ik de eer heb mitsdien mij te kwijten, nader onder uwe aandacht te brengen dat een dergelijk gebruik door de regeering niet kan worden goedgekeurd.”



Hoog Bezoek.

 Naar het Bat. Nieuwsbl. verneemt, zal het flottielje-vaartuig Edi 15 Maart van Tandjoeng Prioek naar Sdnakan vertrekken waar het schip ter beschikking gesteld zou worden van den gouverneur van Britsch-Noord Borneo voor een bezoek aan Java.
 Zoools men weet is de Edi ingericht voor het vervoeren van hooge passagiers. Aanvankelijk moet het voornemen bestaan hebben dat de gouverneur/generaal aan boord van dat schip een reis zou maken eerst naar Balikpapan, en van daar naar Sandakan, maar van dat voornemen is thans afgezien.



Pestgeval.

 Het Ind. N. v. d. D. verneemt dato 13 Maart uit Soerabaja:
 Gisteren had hier ter stede een positief pestgeval plaats met doodelijk verloop. Het slachtoffer was een Chineesch kindje in de buurt van Ketabang.



Valsche loten.

 De Loc. deelt het volgende mede over een vervalsching op groote schaal van de op naam van het R. K. Weeshuis te Semarang toegestane geldloterij ontdekt:
 Iemand, die loten bezat, was aan de echtheid gaan twijfelen en raadpleegde hierover den waarnemend agent van de Java’sche Bank. De exemplaren bleken valsch en een nader onderzoek leidde tot de ontdekking, dat er voor een groot bedrag, vermoedelijk wel duizenden guldens, aan valsche loten in omloop zijn gebracht. De justitie heeft de zaak reeds in handen.
 De vervalsching bleek uit het gemis op de nagemaakte loten von enkele geheime teekens, welke op de echte voorkomen. Het publiek, dat loten bezit of wil koopen, kan de vervalsching overigens dadelijk constateeren uit één gekwetste letter. Links onderaan in den hoek hebben de loten de volgende mededeeling: „Houder dezes heeft recht op den op dit numme r gevallen prijs”. De door ons gespatieerde r is op de valsche loten gebrekkig gedrukt. Ter bevordering van het justitieele onderzoek doen zij, die valsche loten gekocht blijken te hebben, er goed aan, hunne exemplaren bij de Javasche Bank in te leveren.
 De justitie vermoedt reeds de bron der vervalsching. Waarschijnlijk zijn Chineezen de daders.



Een brutale diefstal.

 In den morgen van 9 Maart, aldus het Soer. Hbd., had op Pasar Bong een zeldzaam brutale diefstal plaats. Een Chineesche kassier van de firma Van Nierop & Co. reed daar in een tokowagen en had 2 zakken, elk met f500 zilver bij zich. Onverwachts schoot een Madoerees op het rijtuig af, griste er een zak uit en zette het daarmee op een loopen. Eenige omstanders zagen dit en waarschuwden den kassier, die den diefstal nog zoo gauw niet gemerkt had. Onmiddellijk liep men den dief achterna. Men slaagde erin hem te grijpen, daar hij onverwachts in het gedrang kwam en niet zoo spoedig verder kon. Hij werd eerst duchtig afgerammeld en daarna aan de politie overgeleverd.