Pagina:Noodlot.djvu/111

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

110

dat hij Frank de handen op de schouders legde en hem poogde te troosten, dat hij klanken vond van genegenheid, nieuwe woorden op zijne tong, frisch en ongewoon, verzachtend en balsemend. De vrouwen, ze waren klein van ziel, zeide hij. Ze waren niets, en liefde was niets, was een hersenschim; geen man moest zich daarom het leven treurig maken. Maar er was vriendschap, loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen zelfs niet begrepen en nooit gevoelden voor elkaâr: eene passie van sympathie, een edel geluk van samenstemming... En hij geloofde zijne eigene woorden, zich koesterend in dat platonisme met de zelfde poesenbehagelijkheld, waarmede hij zich koesterde in materiëel bien-être: hij genoot van zijne vriendschapsextaze, en bewonderde zich, omdat hij zoo hoog dacht.

Maar Franks liefde voor Eve was zoo zielsomvattend geweest, was het nu nog, dat hij na korten tijd de ziekelijkheid, het decadentisme van dit dwepen inzag, en er toen geen troost meer uit putte. Grijzer hing zijne neêrslachtigheid om hem heen. Hij dwong zich goed te herinneren wat er gebeurd was, wat Eve gezegd had, wat hij gezegd had... En hij gaf zichzelven ongelijk, hij verontschuldigde Eve om haar getwijfel, hij vloekte zijne drift, zijne barbaarsche ruwheid tegenover eene vrouw, haar! Wat te doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was hem eene ontzettende gedachte, dat hij haar nimmer meer zien zoû dat zij nooit meer iets zoû zijn in zijn leven! Kon het dan niet weêr anders worden? Was alles verloren? Onherroepelijk?