Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/27

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

HET KROOST DER HULDREN.

 

 

Wij hadden een bezoek afgelegd op Bjerke-hoeve. De landheer en grootmama roeiden zondags avonds weer naar huis, maar juffer Marie en de jongens hadden zoolang gevleid en gebedeld, tot zij verlof kregen den maandagmorgen aftewachten en over de bergen naar huis te keeren om »van 't vergezicht te genieten," zoo als 't heette; en ik, de huisonderwijzer, had mijne goede redenen om bij hen te blijven. De maandag morgen kwam; veel spoediger dan ons lief was. Verzeld van onze gastvrouw, de waardige moeder Bjerke en haar' zoon, wandelden wij door de bladerrijke boschjes, die tot de hoeve behoorden en in wier berkentoppen de kwikstaartjes en goudvinken hun' snellen welluidenden slag deden hooren. De vliegenvangers drentelden rond op de takken en bleven niet achter in 't groot concert, terwijl de tuinkoning, bescheiden in 't loof verborgen, zijne teedere tonen uit de dichte, donkere toppen overal heen zond. De ochtend was zoo stil en kalm; de berkeblaren bewogen zich nauwelijks, en toen wij 't pad tusschen de velden betraden, zagen wij, telkens als er een zonnestraal viel op het groen, hoe de paarlen van den