Naar inhoud springen

Pagina:Sieben und siebzig Gedichte Bd.2.pdf/105

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De stormachtige morgen.


Hoe storm toch kan verscheuren
Een effen grijze lucht!
De flarden wolk vervolgen
Lamlendig elkaars vlucht.

En rood gevlamde tongen,
Die vlechten zich daarin;
Dat noem ik eens een morgen
Volkomen naar mijn zin!

Mijn hart ziet aan de hemel
Zijn eigen ziel verbeeld —
Niets anders dan de winter,
De winter koud en wild!