Pagina:Staatsblad der Vereenigde Nederlanden 1813.djvu/4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 4 )

Nederlander; die, zonder herinnering aan het verledene, zonder onderscheid van rang of staat of van Godsdienstige gezindheid, met ons de behoefte gevoelt van nog eenmaal te herwinnen dat Vaderland, dat, op de elementen, op Philips en Alba veroverd, van den moed onzer voorvaderen zoo heerlijk getuigde, doch met smaad en schande te lange bezoedeld werd.
 Van dit oogenblik af, zijn onze ketenen afgeworpen; geene vreemdelingen zullen u meer beheerschen; alle verbindtenis van dwang en slaafsche onderwerping aan den gemeenen vijand van Europa, aan den verstoorder der rust, der welvaart en der onafhankelijkheid der volken, zeggen wij onherroepelijk en voor altoos op.
 In naam van Z. H. den Heere Prince van Oranje, alzoo de hooge redering der Nederlanden aanvaardende, ontslaan wij alle onze Landgenooten, in welke betrekking ook, in het geheele voormalige gebied der Verëenigde Provintiën, van den eed van trouw en gehoorzaamheid aan den Keizer der Franschen gedaan; en van de afkondiging dezes af aan, verklaren wij, als verraders van hun Vaderland en rebellen tegen de wettige Nationale Regering te zullen beschouwen en doen straffen dezulken, die, uit kracht van hunne verbindtenis met de Fransche regering of hunne ondergeschiktheid aan deszelfs administratiën, aan eenige orders of bevelen van deze mogten defereren, of aan die regering of derzelver ambtenaren of gedelegueerden, eenige gehoorzaamheid betoonen of correspondentiën met dezelve voeren.
 Alle betrekkingen met onze onderdrukkers, wier verachting en smaad elks aangezigt en hart in vuurgloed ontsteekt, zijn dus van heden af vernietigd; doch dit is niet genoeg!
 Nederlanders! wij roepen u op, om u eendragtig om den standaard te scharen, dien wij geplant hebben; wij roepen u op, om de wapens als mannen op te vatten, en den vijand, die nog op onzen bodem ons schijnt te trotseren, doch reeds siddert voor onze vereeniging, van onze grenzen te verdrijven.
 Elk onzer zij gedachtig aan hetgeen onze brave Voorvaderen deden, toen de onsterfelijke Eerste Willem Hollands moed in laaije vlam ontstak, en laat het edele voorbeeld van Spanjes volkeren, die, na den hagchelijksten strijd, met opzetting van goed en bloed, het gehaate juk verbrijzeld hebben, en thans den heerlijksten dageraad van verlossing en zegen zien aanbreken, laat dit voorbeeld ons leeren, dat de uitkomst niet falen kan.
 Wij hebben overal mannen van beproefd krijgsbeleid met de zorg eener wapening belast; zij zullen u voorgaan in het gevaar,