Pagina:Winkler-Zand en duinen (1865).djvu/39

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

HET ONTSTAAN DER DUINEN.




Wij hebben nu gezien hoe er zand ontstaat, en hoe het zand van de bergen gevoerd wordt naar de laagten; ook weten wij nu wat zand is; laat ons nu zien hoe het op den zeebodem liggende zand tot zeeduinen wordt. Wij gaan nu in de gedachte naar het strand der zee, en slaan ons oog op het onbegrensde watervlak dat zich voor ons uitspreidt. Wie is er die niet instemt met onzen dichter S. J. van den Bergh als hij "bij de zee" staande, uitroept:

De zee is poëzij; nooit zwijgen
Haar lippen; uit haar boezem stijgen
 De hymnen op, vol majesteit;
Diep als de diepe schoot der wateren.
Die tegen 't helmig duinstrand klateren.
 Is 't denkbeeld, dat ze alom verbreidt;
't Is schoon zoo als de hemeltransen,
 Waar zij de starren van weêrkaatst.
Die schittrend op 't azuurkleed glansen.
 Waar langs de wind geen wolkjen blaast.

Wanneer de zachte koeltjens suizen.
Gelijkt de zang, dien zij doet ruischen,