Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/116

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

64

Daar de stengels niet hooger worden dan ongeveer een halve meter, is deze plant uitnemend goed voor kleine massiefs, in welk geval de talrijke, bevallig overhangende bloemtrossen, zoowel op eenigen afstand als nabij, een allerbevalligst effect maken, waartoe de sierlijk verdeelde, lichtgroene bladeren niet weinig bijdragen.

Zaden geeft deze plant zeer schaars; de vermenigvuldiging gaat echter uiterst gemakkelijk en spoedig, door scheuring in 't voorjaar.

De Diclytra spectabilis behoort oorspronkelijk in het Noordelijkst gedeelte van China en het Zuidelijke deel van Siberië thuis, en werd in 1844 of 1845 door Rob. Fortune naar Engeland gezonden, vanwaar ze zich zeer spoedig door geheel Europa verspreidde, en overal een goed onthaal vond. Zelfs tegenwoordig is deze prachtvolle plant nog zoozeer in trek, dat ze in 't voorjaar bij duizenden verzonden wordt, waarvan zeker een zeer groot deel bestemd zijn om vervroegd in bloei gebragt te worden, ten einde bloemtafels als anderzins tot sieraad te strekken.

Eenige jaren geleden kwam ook eene verscheidenheid met witte bloemen van deze Diclytra in den handel. Deze, die nog niet zeer algemeen is, groeit niet zoo vlug en schijnt veel gevoeliger. 't Laat zich echter niet denken dat de witbloemige ooit zóózeer gunstelinge van 't algemeen zal worden, als de oorspronkelijke soort, daar de bloemen uit den aard der zaak, hoe fraai ze ook zijn mogen, het in dit opzigt toch tegen deze verliezen moeten.