Pagina:WitteHeinrichFlora1868.djvu/284

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

176

dikwerf in 't voorjaar met een zeer rijken bloei, mits wij op onze beurt maar zorgen dat ze een zooveel mogelijk aan hare natuurlijke eischen voldoenden grond en standplaats heeft.

Hoewel een kalkhoudende grond veelal voor deze en meerdere Gentianen wordt aanbevolen, heeft toch de ondervinding geleerd, dat ze ook in goeden zandigen boschgrond zeer goed groeijen, vooral als ze op eene half beschaduwde, noordelijke plek staan. Ook kunnen ze, waar de grond niet te zwaar is, zeer goed voor randen gebezigd worden, mits daar niet op getrapt worden kan, terwijl ze mede als een der fraaiste sieraden voor rotspartijen aanbevolen worden, als hoedanig ik ze echter zelf nimmer zag, wat voor mij daarom volstrekt geen reden is om er aan te twijfelen, daar de natuur der plant, naar 't mij voorkomt, als vanzelf op deze wijze van kweeking wijst.

Zaden verkrijgt men er niet ligt van; men moet deze planten dus vermenigvuldigen door scheuring, en dat wel in den nazomer of zeer vroeg in het voorjaar. Daar de plantjes goed uitstoelen, gaat deze wijze van aankweeken dus ook spoedig genoeg in zijn werk.

Is men evenwel gelukkig genoeg er zaad van te winnen, dan strooije men de zeer fijne korrels in 't voorjaar op fijnen en zuiveren hei- of boschgrond uit, en plaatse de potten in de schaduw, zorg dragende de aarde vochtig te houden, zonder door het gieten de zaden onder den grond te woelen, waarom men dus daartoe een zeer fijnen sproeigieter gebruikt. Als de plantjes sterk genoeg zijn, worden ze weder in potten overgeplant, gedurende den winter in eene koude bak bewaard, en in het voorjaar op niet te grooten afstand uitgeplant.