Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/11

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
VI
VOORWOORD.

naaste omgeving betrof, reeds aangevuld en dit gedeelte geheel op nieuw in kaart gebracht had, zag ik niet in waarom ik mij gedurende een paar wintermaanden daarmede niet zou bezighouden, en wel eerstens met het in kaart brengen van het gedeelte tusschen Hoekelum en Ooster-Eng, en voorts met de verschillende te maken wandelingen zoo nauwkeurig mogelijk te beschrijven. Met dit plan toonde de Voorzitter der genoemde Vereeniging zich dan ook zeer ingenomen, zich bereid verklarende mij al die inlichtingen te geven, welke ik wellicht kon noodig hebben, waaraan hij met de meeste bereidwilligheid gevolg gaf, en waarvoor ik den heer Van Daalen dan ook mijn vriendelijken dank betuig.

Geen ander doel, geen nevengedachte leidde mij daarbij dan waardoor ik mij voelde aangespoord tot het schrijven der artikelen in "Eigen Haard": de belangstelling te bevorderen in de plaats, waar ik mij, sedert ik mij uit mijn ambtelijke leven terugtrok voor goed vestigde, en waar ik van alle zijden zooveel warme genegenheid ondervond; voorts om den bezoekers een middel aan de hand te doen om deze streken in alle richtingen te doorwandelen en te leeren kennen, wat anders zonder gids zoo goed als onmogelijk is.

Van beschouwingen en uitweidingen, waartoe zoo vaak aanleiding was, heb ik mij zoo veel mogelijk onthouden. Als lektuur beteekent dit boekje dus zoo goed als niets. Het moest een wegwijzer zijn en niets meer.

Het derde kaartje, de omstreken van Bennekom tusschen den spoorweg en den Rijn, is, zooals men vanzelf