Pagina:WitteHeinrichWandelBennekom1902.djvu/25

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

III. HOEKELUM.

 

Hoekelum en de Hullenberg, dit zijn, hoewel op verre na niet de eenige, toch zeker wel de twee voornaamste aantrekkingspunten van Bennekom.

Hij, die tijdelijk in of bij het dorp verblijft, richt het eerst zijn schreden naar den Hullenberg; die zijn vleugels in Oud-Vossenhol streek, kiest ongetwijfeld Hoekelum voor zijn eerste wandeling.

Wij volgen zijn voorbeeld, niet alleen omdat Hoekelum het uitgestrektste en schoonste landgoed in deze streek is[1], maar ook om bij onze wandelingen een zeker plan te volgen, waarbij wij de streek ten Oosten van den grintweg zoo geregeld mogelijk van het Noorden naar het Zuiden volgen. De lezer kan dan die uitkiezen, waartoe hij zich 't meest aangetrokken gevoelt.


Hoekelum is een landgoed van 78 Hectaren oppervlakte, grootendeels bestaande uit in alle richtingen van breede wegen en paden doorsneden bosschen, waarbij meerendeels oude dennenbosschen de hoofdrol spelen. Het hoogere, Oostelijke gedeelte, vroeger woeste hei, dagteekent, wat zijn tegenwoordigen toestand betreft, van 't derde decennium der 19de eeuw; het lagere Zuidwestelijke deel, met het kasteel, is oud, maar in lateren tijd deels veranderd of verjongd, terwijl ook het kasteel, zoo niet geheel, dan toch zeker grootendeels vernieuwd werd. Het behoort in eigendom aan den heer W.E.J. Baron van

  1. Ooster-Eng is grooter, maar komt als wandeling voor het publiek minder of in 't geheel niet in aanmerking.