Petrus Herman Scheltema/Een bezoek aan de carrières van de Ourthe/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een bezoek aan de carrières van de Ourthe [2]
Auteur(s) P.H.S.
Datum Zaterdag 5 september 1903
Titel ‘Een bezoek aan de carrières van de Ourthe. (Slot.)’
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 38, 36, 281-282
Opmerkingen Vervolg op Een bezoek aan de carrières van de Ourthe [2]
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron [1] en [2]
Auteursrecht Publiek domein

[281]

[...]

EEN BEZOEK AAN DE CARRIÈRES VAN DE OURTHE.


(Slot.)


      Een groot deel van de leerlingen der vakschool te Sprimont gaat in elk geval niet hoogerop maar is er daarom toch niet slecht aan toe, omdat de leerlingwerkplaatsen, beter dan welke school ook, gelegenheid aanbieden om het ambacht grondig te leeren.
      Aan zes van de voornaamste carrières zijn dergelijke leerlingwerkplaatsen ingericht. De carrière-eigenaars hebben zich verbonden een gedeelte van hun werf daartoe te bestemmen, waar de van gemeentewege aangestelde instructeur, die natuurlijk zelf volleerd ambachtsman is, den geheelen dag bezig is de leerlingen de bewerking van de hardsteen, van de allereerste handgrepen af, leeren. De eigenaars der carrière leveren tevens, naar wij meenen kosteloos, het materiaal voor de leerlingwerkplaatsen benoodigd. Dit beteekent weinig aangezien, zoodra de leerling maar eenige vorderingen gemaakt heeft, hem eenvoudige stukken uit bestelde partijen ter bewerking worden gegeven. Hij begint dan ook dadelijk geld te verdienen, maar hiervan wordt een gedeelte ingehouden voor den aankoop van gereedschapen, en wel in het eerste jaar 20, in het tweede jaar 10 en in het derde jaar 5 pCt.
      Gedurende den cursus van 1902 waren in de zes ateliers 160 leerling-steenhouwers werkzaam. Niet al deze leerlingen bezochten dus tevens de school. Aan deze leerlingen werd voor 29.426 werkdagen aan loon uitbetaald 24.419.86 Francs. Het gemiddeld dagloon bedroeg dus 0.83 Francs. Van het loon werd totaal 2977.27 Francs ingehouden. Hieronder was een bedrag van 208.18 Francs aan kortingen van leerlingen, die zonder wettigen beweeggrond de werkplaats hadden verlaten. Aan regelmatige kortingen was dus 2769.09 Franca ingekomen en dit werd alleen besteed voor den aankoop van gereedschappen, die het eigendom van de leerlingen blijven. Het bedrag van 208.18 Francs werd gevoegd bij de door de autoriteiten ter aanmoediging gevoteerde 2000 Franca en de particuliere gift van 250 Francs van den baron Montefiore (een lid der bekende philantropen-familie van dien naam), die te Exneux resideert op zijn prachtig landgoed le Rond Chêne; en de uit deze verschillende bijdragen verkregen som van 2457.59 Francs werd bestemd voor prijzen in den vorm van stortingen in een fonds voor pensioenen op 55 jarigen leeftijd.
      Een prijs van 10 Francs wordt namelijk toegekend aan elken leerling, die een jaar in de ateliers heeft gewerkt zonder een enkele maal disciplinair gestraft te zijn en zich heeft onderscheiden door voorbeeldig gedrag en ijver. Vier-en-zestig leerlingen hebben in 1902 deze premie verdiend, dit maakt dus 640 Francs.
      De van het beschikbaar bedrag overige 1818.09


[282]

282

Francs werden verdeeld, voor de helft in verhouding tot het aantal dagen, dat de leerlingen present zijn geweest, voor de helft naar verhouding van het door elk verdiende loon, maar alles wordt ten slotte in het pensioenfonds gestort.
      Men ziet uit het bovenstaande, dat het bestuur der inrichting ook de stoffelijke belangen der leerlingen in het oog houdt, en hen ook in dit opzicht op weg helpt. Of er ook bij ons iets van dien aard bestaat, bij de enkele industrieele ondernemingen, die er een soort leerlingstelsel op nahouden, is ons niet bekend.
      Onze onderwijsinrichtingen houden zich echter met de stoffelijke belangen harer leerlingen even weinig bezig als met de sociale.
      Of dit in onzen tijd goed gezien is laten wij in het midden, maar ook dit punt, namelijk dat der stoffelijke belangen, komt ons belangrijk genoeg voor, om daarop de aandacht onzer onderwijsmannen te vestigen.
      Ook bij het einde van den driejarigen leertijd in de leerlingwerkplaatsen wordt een diploma uitgereikt. De jury, die ter plaatse de werkstukken beoordeelt, vervaardigd door de leerlingen, die hun 900 werkdagen hebben volbracht, is samengesteld uit:
      1o. Een lid van het bestuur der inrichting (commission administration).
      2o. De directeur der inrichting.
      3o. De eigenaar of directeur der carrière en de instructeur van de daartoe behoorende leerling-werkplaats.
      4o. Een meesterknecht-steenhouwer (appareilleur) en een eerste teekenaar werkzaam in een der carrières te Sprimont.
      De punten die bij de beoordeeling der werkstukken worden toegekend, worden volgenderwijze verdeeld:

    Arbeid van het laatste jaar 10.
  IJver 5.
  Gedrag 5.
  Vakschool (teekenen en uitslaan) 5.
  Proefwerkstuk moeilijkheid 10.
  uitvoering 65.
      ——
  Totaal der in maximum te behalen punten 100.

      Als proefstukken werden in 1902 gemaakt: een bovendorpel en een deurfries, voor de militaire school te Brussel;
      een zuilbasis, voor een kerk te Lanaye;
      een topgevelbekroning voor het botanisch instituut te Gend;
      een zuilbasis, voor de kliniek te Gend.
      Aan zeven leerlingen werd het diploma uitgereikt met 93 tot 80 punten, aan den beste van de zeven met hooge onderscheiding (grande distinction), terwijl hem tevens werd toegestaan, nog een jaar als leerling werkzaam te blijven en het volgend jaar een speciaal examen voor hooger meesterschap in het ambacht te doen.
      Dit geschiedde ook ten deele, om een voorbeeld te geven aan die ouders, die bezwaar tegen den leertijd van drie jaren hebben, waarin hun zonen wel iets, maar toch nog niet veel verdienen.
      In de eindbeschouwingen van het verslag over de leerlingwerkplaatsen wordt dan ook o.a. nog het volgende gezegd betreffende het doel der inrichting:
      „Laat ons er op wijzen, dat haar voornaamste doel is het vormen van bekwame werklieden. Sommige ouders verliezen uit het oog, dat het niet voldoende is aan hun kinderen de allereerste beginselen van het steenhouwersvak te doen leeren, om er werklieden van te maken bekwaam genoeg, om zeker te zijn, door hun arbeid goed in hun onderhoud te kunnen voorzien. Zij zien slechts het tegenwoordige, zonder er zich rekenschap van te geven, dat zij, aldus handelende, hun kinderen aan de ellende prijsgeven; want een te haastige, te veel ingekorte leertijd zonder voldoende leiding, zal bijna altijd werklieden kweeken alleen geschikt voor minder goed betaalden arbeid; terwijl een voldoende en welbestede leertijd bijna altijd den ontwikkelden en bekwamen werkman een hoog en vast loon zal verzekeren.”
      Den ouders wordt dit bijzonder op het hart gedrukt en daarbij hun medewerking ingeroepen.
      Niet onaardig is de wijze, waarop ten slotte in het verslag de leerlingen worden toegesproken, met de aanhaling waarvan ook wij deze mededeelingen besluiten:
      „Om bekwame werklieden te worden, wat wordt er van u gevraagd? Niets, absoluut niets. Wat biedt men u aan? Alles: een Bestuur, leeraren en instructeurs van groote bekwaamheid; na enkele weken leertijd in de werkplaats, een loon dat altijd aangroeit in verhouding tot uwen ijver bij den arbeid en uwe geschiktheid; aan het eind van het jaar uwe kortingen teruggeven in den vorm van gereedschap, aan het eind van het jaar nog eens, talrijke aanmoedigingspremiën, die gestort worden in het pensioenfonds, deze spaarpot, die men verbreekt op den drempel van den ouderdom! Geen uwer zal zich meer willen onttrekken aan deze contributie betaald door den vooruitzienden goeden wil. Nimmer zult gij u deze poging van een vaste overtuiging beklagen, die er een eer in stelt de zware maar fiere plicht te aanvaarden van een arbeid begonnen vol moed, en volgehouden met het oog op een zekere toekomst.”
      De slottorade moge ons, nuchtere broeders van het Noorden, wat hoogdravend in de ooren klinken, zij mist ter plaatse waar zij uitgesproken wordt hare uitwerking zeker niet. Zou het ons Nederlanders kwaad doen, wanneer we wat meer van dat „feu sacré” bezaten, dat onmiskenbaar spreekt uit de woorden en daden onzer zuidelijke buren en dat hen zooveel te eer van woorden tot daden doet overgaan?

P. H. S.