Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmede samenhangende vraagstukken >
Protocol
betreffende
de Statuten van de
Europese Investeringsbank


De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Wensende, de in artikel 129 van het Verdrag bedoelde Statuten van de Europeee Investeringsbank vast te stellen.

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, welke aan dat Verdrag zijn gehecht:

ARTIKEL l

De Europese Investeringsbank welke bij artikel 129 van het Verdrag is ingesteld, hierna te noemen "de Bank", wordt opgericht, oefent haar functies uit en verricht haar werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen van dat Verdrag en van deze Statuten.

De zetel van de Bank wordt in onderlinge overeenstemming tussen de regeringen van de Lid-Staten vastgesteld.

ARTIKEL 2

De taak van de Bank is in artikel 130 van het Verdrag omschreven.

ARTIKEL 3

Overeenkomstig artikel 129 van het Verdrag zijn leden van de Bank

  • het Koninkrijk België,
  • de Bondsrepubliek Duitsland,
  • de Franse Republiek,
  • de Italiaanse Republiek,
  • het Groothertogdom Luxemburg,
  • het Koninkrijk der Nederlanden.

ARTIKEL 4

1. Het kapitaal van de Bank bedraagt één miljard rekeneenheden, waarin door de Lid-Staten voor de volgende bedragen wordt deelgenomen: Duitsland – 300 miljoen Frankrijk – 300 miljoen Italië – 240 miljoen België – 86,5 miljoen Nederland – 71,5 miljoen Luxemburg – 2 miljoen

De waarde van de rekeneenheid is 0,88867088 gram fijn goud.

De Lid-Staten zijn ten hoogste aansprakelijk tot het nog niet gestorte bedrag van hun aandeel in het geplaatste kapitaal.

2. De toelating van een nieuw lid brengt verhoging van het geplaatste kapitaal mede, overeenkomende met de inbreng van het nieuwe lid.

3. De Raad van Gouverneurs kan met eenparigheid van stemmen tot een verhoging van het geplaatste kapitaal besluiten.

4. Het aandeel der leden in het geplaatste kapitaal kan gecedeerd noch verpand worden en is niet vatbaar voor beslag.

ARTIKEL 5

1. De Lid-Staten storten 25% van het geplaatste kapitaal in vijf gelijke delen en wel uiterlijk onderscheidenlijk twee, negen, zestien, drieentwintig en dertig maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag.

Iedere storting geschiedt voor een vierde in goud of vrij-converteerbare deviezen en voor drie vierden in nationale valuta.

2. De Raad van Bewind kan de storting van de resterende 75% van het geplaatste kapitaal verlangen, voor zover dit noodzakelijk is om aan de verplichtingen van de Bank ten opzichte van haar geldschieters te voldoen.

Storting geschiedt door elke Lid-Staat in verhouding tot zijn aandeel in het geplaatste kapitaal in de valuta welke de Bank nodig heeft ten einde aan haar verplichtingen te voldoen.

ARTIKEL 6

1. Op voorstel van de Raad van Bewind kan de Raad van Gouverneurs met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat de Lid-Staten aan de Bank bijzondere, rentedragende leningen verstrekken, in het geval en in de mate waarin de Bank een dergelijke lening nodig heeft voor de financiering van bepaalde projecten, en wanneer de Raad van Bewind aantoont dat zij niet in staat is zich de nodige gelden op de kapitaalmarkten te verschaffen tegen passende voorwaarden, gelet op de aard en het doel van de te financieren projecten.

2. De bijzondere leningen kunnen eerst worden opgeëist vanaf het begin van het vierde jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag. Zij mogen noch in totaal een bedrag van 400 miljoen rekeneenheden noch per jaar een bedrag van 100 miljoen rekeneenheden overschrijden.

3. De looptijd van de bijzondere leningen zal worden vastgesteld in overeenstemming met die van de kredieten of garanties welke de Bank zich voorstelt door middel van deze leningen te verstrekken; deze looptijd mag twintig jaar niet te boven gaan. De Raad van Gouverneurs kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Raad van Bewind besluiten tot vervroegde terugbetaling van de bijzondere leningen.

4. De bijzondere leningen zullen een rente dragen van 4% 's jaars, tenzij de Raad van Gouverneurs, rekening houdende met de ontwikkeling en het peil van de rentevoet op de kapitaalmarkten, besluit een andere rentevoet vast te stellen.

5. De bijzondere leningen moeten door de Lid-Staten worden verstrekt in verhouding tot het aandeel dezer Staten in het geplaatste kapitaal; het bedrag daarvan dient binnen zes maanden na een daartoe strekkende oproep in de nationale valuta te worden gestort.

6. In geval van liquidatie van de Bank worden de bijzondere leningen, door de Lid-Staten verstrekt, eerst terugbetaald na aflossing van de andere schulden van de Bank.

ARTIKEL 7

1. Ingeval de pariteit van de valuta van een Lid-Staat in verhouding tot de in artikel 4 omschreven rekeneenheid zou worden verlaagd, wordt het bedrag van het door deze Staat in zijn nationale valuta gestorte aandeel in het geplaatste kapitaal aangepast in verhouding tot de wijziging in de pariteit door een door dit land te verrichten aanvullende storting ten gunste van de Bank. Het bedrag waarop de aanpassing betrekking heeft mag echter het totaal der door de Bank in bedoelde valuta verstrekte leningen en het bezit van de Bank in deze valuta niet overschrijden. De storting dient binnen twee maanden te geschieden of, voor zover deze verband houdt met leningen, op de vervaldagen van die leningen.

2. Ingeval de pariteit van de valuta van een Lid-Staat in verhouding tot de in artikel 4 omschreven rekeneenheid zou worden verhoogd, wordt het bedrag van het door deze Staat in zijn nationale valuta gestorte aandeel in het geplaatste kapitaal aangepast in verhouding tot de wijziging in de pariteit, door middel van een terugbetaling door de Bank aan deze Staat. Het bedrag waarop de aanpassing betrekking heeft mag echter het totaal der door de Bank in bedoelde valuta verstrekte leningen en het bezit van de Bank in deze valuta niet overschrijden. Deze storting dient binnen twee maanden te geschieden of, voor zover deze verband houdt met leningen, op de vervaldagen van die leningen.

3. De pariteit van de valuta van een Lid-Staat in verhouding tot de in artikel 4 omschreven rekeneenheid, is de verhouding tussen het gewicht aan fijn goud dat deze rekeneenheid vertegenwoordigt en het gewicht aan fijn goud overeenkomende met de pariteit van die valuta zoals deze is medegedeeld aan het Internationaal Monetair Fonds. Bij gebreke van dien wordt die pariteit berekend aan de hand van de wisselkoers welke ten aanzien van een in goud uitgedrukte of een in goud converteerbare valuta door de Lid-Staat voor zijn lopende betalingen wordt toegepast.

4. De Raad van Gouverneurs kan besluiten dat de in de leden 1 en 2 vastgestelde regels niet zullen worden toegepast wanneer een gelijkelijk evenredige wijziging wordt gebracht in de pariteit van alle valuta's van de landen welke lid zijn van het Internationaal Monetair Fonds of van de Bank.

ARTIKEL 8

De Bank wordt bestuurd en beheerd door een Raad van Gouverneurs, een Raad van Bewind en een Directie.

ARTIKEL 9

1. De Raad van Gouverneurs bestaat uit de door de Lid-Staten aangewezen Ministers.

2. De Raad van Gouverneurs stelt de algemene richtlijnen vast met betrekking tot de kredietpolitiek van de Bank, met name wat betreft de doelstellingen welke, naarmate de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt voortschrijdt, als leidraad moeten dienen.

Hij ziet erop toe dat deze richtlijnen worden opgevolgd.

3. Bovendien geldt voor de Raad van Gouverneurs het volgende:

a) hij besluit tot verhoging van het geplaatste kapitaal in overeenstemming met artikel 4, lid 3;
b) hij oefent de bevoegdheden uit welke in artikel 6 inzake de bijzondere leningen zijn genoemd;
c) hij oefent de bevoegdheden uit welke in de artikelen 11 en 13 voor de benoeming en het ambtshalve ontslaan der leden van de Raad van Bewind en van de Directie zijn genoemd;
d) hij staat de in artikel 18, lid 1, genoemde afwijking toe;
e) hij keurt het door de Raad van Bewind opgestelde jaarverslag goed;
f) hij keurt de jaarbalans alsmede de winst- en verliesrekening goed;
g) hij oefent de in de aitikelen 7, 14, 17, 26 en 27 genoemde bevoegdheden uit;
h) hij keurt het reglement van orde van de Bank goed.

4. De Raad van Gouverneurs is bevoegd om met eenparigheid van stemmen, in het kader van het Verdrag en van deze Statuten, alle besluiten te nemen met betrekking tot de schorsing van de werkzaamheden van de Bank en met betrekking tot haar eventuele liquidatie.

ARTIKEL 10

Voor zover in deze Statuten niet anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad van Gouverneurs met meerderheid van de stemmen zijner leden genomen. Voor het stemmen in de Raad van Gouverneurs gelden de bepalingen van artikel 148 van het Verdrag.

ARTIKEL 11

1. Alleen de Raad van Bewind is bevoegd te besluiten tot het verlenen van kredieten en garanties en tot het aangaan van leningen; hij stelt de rentevoet vast voor de door de Bank verstrekte leningen alsmede de provisie ter zake van verleende garanties; hij ziet toe op een goed bestuur van de Bank; hij zorgt ervoor dat het beheer van de Bank plaatsvindt in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag en van de Statuten en met de algemene richtlijnen welke door de Raad van Gouverneurs worden vastgesteld.

Na het boekjaar brengt hij verslag uit aan de Raad van Gouverneurs en maakt dit verslag na goedkeuring bekend.

2. De Raad van Bewind bestaat uit twaalf bewindvoerders en twaalf plaatsvervangers.

De bewindvoerders worden voor de tijd van vijf jaar door de Raad van Gouverneurs benoemd na aanwijzing onderscheidenlijk door de Lid-Staten en door de Commissie, en wel als volgt:

3 bewindvoerders aangewezen door de Bondsrepubliek Duitsland,
3 bewindvoerders aangewezen door de Franse Republiek,
3 bewindvoerders aangewezen door de Italiaanse Republiek,
2 bewindvoerders in onderlinge overeenstemming aangewezen door de Benelux-landen,
1 bewindvoerder aangewezen door de Commissie.

Zij zijn herbenoembaar.

Elke bewindvoerder wordt bijgestaan door een plaatsvervanger, die onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedure wordt benoemd als de bewindvoerders.

De plaatsvervangers kunnen aan de vergaderingen van de Raad van Bewind deelnemen; zij hebben geen stemrecht, tenzij zij een bewindvoerder in geval van verhindering vervangen.

De president of, bij ontstentenis, een van de vice-presidenten van de Directie oefent het voorzitterschap uit van de Raad van Bewind, zonder aan de stemming deel te nemen.

Als leden van de Raad van Bewind worden gekozen personen die alle waarborgen bieden voor onafhankelijkheid en bekwaamheid. Zij zijn slechts aan de Bank verantwoording schuldig.

3. Een bewindvoerder kan slechts dan door de Raad van Gouverneurs, welke ter zake met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, ambtshalve worden ontslagen, indien hij niet meer voldoet aan de voorwaarden welke voor de uitoefening van zijn functie zijn gesteld.

Ingeval het jaarverslag niet wordt goedgekeurd, treedt de Raad van Bewind af.

4. Indien er ten gevolge van overlijden of van vrijwillig, ambtshalve of collectief ontslag een vacature ontstaat, wordt tot vervanging overgegaan overeenkomstig de in lid 2 vastgestelde voorschriften. Behalve bij algehele vernieuwing, worden de leden voor de verdere duur van hun mandaat vervangen.

5. De Raad van Gouverneurs stelt de vergoeding vast voor de leden van de Raad van Bewind. Met eenparigheid van stemmen bepaalt hij welke functie eventueel onverenigbaar is met die van bewindvoerder en van plaatsvervanger.

ARTIKEL 12

1. Elke bewindvoerder beschikt in de Raad van Bewind over één stem.

2. Voor zover in deze Statuten niet anders is bepaald, worden de besluiten van de Raad van Bewind met eenvoudige meerderheid van stemmen van zijn stemgerechtigde leden genomen. Voor de gekwalificeerde meerderheid zijn acht eensluidende stemmen vereist. Het reglement van orde van de Bank stelt het quorum vast dat voor het nemen van rechtsgeldige besluiten in de Raad van Bewind is vereist.

ARTIKEL 13

1. De Directie bestaat uit een president en twee vice-presidenten, die voor de tijd van zes jaar door de Raad van Gouverneurs op voorstel van de Raad van Bewind worden benoemd. Zij zijn herbenoembaar.

2. Op voorstel van de Raad van Bewind, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot stand gekomen, kan de Raad van Gouverneurs, eveneens met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, besluiten, de leden van de Directie ambtshalve te ontslaan.

3. De Directie behandelt de lopende zaken van de Bank, onder leiding van de president en onder toezicht van de Raad van Bewind.

Zij bereidt de besluiten van de Raad van Bewind voor, met name wat betreft het aangaan van leningen en het verlenen van kredieten en garanties, en zorgt voor de uitvoering van die besluiten.

4. De adviezen inzake plannen voor het verstrekken van leningen en voor bet verlenen van garanties en inzake plannen voor het aangaan van leningen worden door de Directie met meerderheid van stemmen vastgesteld.

5. De Raad van Gouverneurs stelt de vergoeding vast voor de leden van de Directie en bepaalt welke werkzaamheden onverenigbaar zijn met hun ambt.

6. De president of bij ontstentenis, een van de vice-presidenten vertegenwoordigt de Bank in en buiten rechte.

7. De ambtenaren en bedienden van de Bank staan onder het gezag van de president. Zij worden door hem benoemd en ontslagen. Bij de keuze van het personeel dient niet alleen rekening te worden gehouden met persoorlijke geschiktheid en beroepsbekwaamheid, doch eveneens met een billijke verdeling naar nationaliteit over de Lid-Staten.

8. De Directie en het personeel van de Bank zijn slechts aan de Bank verantwoording schuldig en oefenen hun functies in volledige onafhankelijkheid uit.

ARTIKEL 14

1. Een comité van drie leden, door de Raad van Gouverneurs op grond van hun bekwaamheid benoemd, controleert elk jaar de regelmatigheid van de verrichtingen en van de boeken van de Bank.

2. Dit comité verklaart dat de balans en de winst- en verliesrekening in overeenstemming zijn met de boekingen en dat zij zowel wat de activa als de passiva betreft, een juist beeld geven van de financiële toestand van de Bank.

ARTIKEL 15

De Bank onderhoudt de betrekkingen met elke Lid-Staat door tussenkomst van de door deze aangewezen autoriteit. Voor de uitvoering van financiële verrichtingen heeft zij toegang tot de centrale bank van de betrokken Lid-Staat of tot andere door die Staat gemachtigde financiële instellingen.

ARTIKEL 16

1. De Bank werkt samen met alle internationale organisaties waarvan de werkzaamheden zich uitstrekken over een terrein dat met het hare overeenkomt.

2. De Bank legt alle contacten welke dienstig zijn voor de samenwerking met de bankinstellingen en financiële instellingen der landen tot welke zij haar verrichtingen uitstrekt.

ARTIKEL 17

Op verzoek van een Lid-Staat of van de Commissie dan wel ambtshalve worden de richtlijnen die door de Raad van Gouverneurs overeenkomstig artikel 9 van deze Statuten zijn vastgesteld door hem uitgelegd of aangevuld op dezelfde wijze als waarop zij tot stand zijn gekomen.

ARTIKEL 18

1. In het kader van de in artikel 130 van het Verdrag omschreven taak, verleent de Bank kredieten aan haar leden of aan particuliere of openbare ondernemingen ten behoeve van investeringsprojecten, te verwezenlijken op het Europese grondgebied van de Lid-Staten, voor zover uit andere bronnen voortkomende middelen niet tegen redelijke voorwaarden beschikbaar zijn.

Nochtans kan de Bank, krachtens een, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Raad van Bewind genomen, besluit van de Raad van Gouverneurs tot afwijking van het voorgaande, kredieten verlenen voor investeringsprojecten welke geheel of gedeeltelijk buiten het Europese grondgebied van de Lid-Staten zullen worden verwezenlijkt.

2. Het verstrekken van leningen wordt zoveel mogelijk ondergeschikt gemaakt aan de inschakeling van andere financieringsmiddelen.

3. Wanneer een lening wordt toegekend aan een onderneming of een ander lichaam dan een Lid-Staat, maakt de Bank het verstrekken van deze lening ondergeschikt hetzij aan een garantie van de Lid-Staat op wiens grondgebied het project zal worden verwezenlijkt, hetzij aan andere voldoende waarborgen.

4. De Bank kan leningen garanderen die door openbare of particuliere ondernemingen of door lichamen zijn aangegaan ter verwezenlijking van projecten als bedoeld Ín artikel 130.

5. De som van de uitstaande leningen en garanties, door de Bank verstrekt, mag 250% van het geplaatste kapitaal niet te boven gaan.

6. De Bank beveiligt zich tegen wisselkoersrisico's door in de lenings- en garantie-overeenkomsten de naar haar mening passende bepalingen op te nemen.

ARTIKEL 19

1. De rentevoet voor door de Bank te verstrekken leningen alsmede de garantieprovisie dienen te worden aangepast aan de op de kapitaalmarkt geldende voorwaarden en zodanig te worden berekend dat de daaruit voortvloeiende ontvangsten de Bank in staat stellen haar verplichtingen na te komen, haar kosten te dekken en overeenkomstig artikel 24 een reservefonds te vormen.

2. De Bank staat geen verlagingen toe van de rentevoet. Ingeval er, gelet op de bijzondere aard van het te financieren project, aanleiding bestaat tot verlaging van de rentevoet, kan de belanghebbende Lid-Staat of een derde instantie rentevergoedingen verlenen, voor zover dit verenigbaar is met de in artikel 92 van het Verdrag vastgestelde regels.

ARTIKEL 20

Bij het verstrekken van leningen en van garanties neemt de Bank de volgende beginselen in acht: 1. Zij waakt ervoor dat haar gelden op de meest rationele wijze in het belang van de Gemeenschap worden aangewend.

Zij kan slechts leningen verstrekken of op te nemen leningen garanderen:

a) wanneer rente en aflossing bij projecten, uitgevoerd door ondernemingen in de produktieve sector, zijn gewaarborgd door de exploitatie-opbrengsten, of, hij andere projecten, door een verbintenis aangegaan door de Staat waarin het project wordt uitgevoerd dan wel op enigerlei andere wijze,
b) en wanneer de uitvoering van het project bijdraagt tot een verhoging van de economische produktiviteit in het algemeen en eveneens tot de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt.

2. Zij mag op generlei wijze deelnemen in ondernemingen noch een verantwoordelijkheid in het beleid daarvan op zich nemen, tenzij beveiliging van haar rechten dit als waarborg voor de inning van haar schuldvordering vereist.

3. Zij kan haar schuldvorderingen cederen op de kapitaalmarkt en te dien einde van haar geldnemers de uitgifte van obligaties of andere effecten verlangen.

4. Noch de Bank noch de Lid-Staten mogen als voorwaarde stellen dat uitgeleende gelden in een bepaalde Lid-Staat moeten worden besteed.

5. Zij kan het verstrekken van leningen afhankelijk stellen van het uitschrijven van internationale aanbestedingen.

6. Zij financiert noch geheel noch gedeeltelijk een project waartegen de Lid-Staat op wiens grondgebied het project moet worden uitgevoerd, zich verzet.

ARTIKEL 21

1. Aanvragen om leningen of garanties kunnen aan de Bank worden gericht, hetzij door tussenkomst van de Commissie, hetzij van de Lid-Staat op wiens grondgebied het project zal worden verwezenlijkt. Een onderneming kan zich ook rechtstreeks met zodanige aanvragen tot de Bank richten.

2. Wanneer de aanvragen door tussenkomst van de Commissie plaatsvinden, worden zij voor advies voorgelegd aan de Lid-Staat op wiens grondgebied het project zal worden uitgevoerd. Wanneer de aanvragen door tussenkomst van de Lid-Staat plaatsvinden, worden zij voor advies aan de Commissie voorgelegd. Wanneer zij rechtstreeks van een onderneming afkomstig zijn, worden zij aan de betrokken Lid-Staat en aan de Commissie voorgelegd.

De betrokken Lid-Staten en de Commissie dienen hun advies binnen een termijn van ten hoogste twee maanden te geven; bij gebreke van een antwoord binnen deze termijn, mag de Bank aannemen dat tegen het betrokken project geen bezwaren bestaan.

3. De Raad van Bewind beslist over lenings- en garantie-aanvragen welke hem door de Directie worden voorgelegd.

4. De Directie onderzoekt of de haar voorgelegde lenings- en garantieaanvragen voldoen aan de bepalingen van deze Statuten, met name aan die van artikel 20. Indien de Directie zich uitspreekt voor het verstrekken van de lening of de garantie, moet zij de ontwerp-overeenkomst aan de Raad van Bewind voorleggen; zij kan haar gunstig advies afhankelijk stellen van de voorwaarden welke zij als wezenlijk beschouwt. Indien de Directie zich uitspreekt tegen het verstrekken van de lening of de garantie, moet zij de desbetreffende bescheiden, vergezeld van haar advies, voorleggen aan de Raad van Bewind.

5. Wanneer de Directie een afwijzend advies uitbrengt, kan de Raad van Bewind de betrokken lening of garantie niet dan met eenparigheid van stemmen verstrekken.

6. Wanneer de Commissie een afwijzend advies uitbrengt, kan de Raad van Bewind de betrokken lening of garantie niet dan met eenparigheid van stemmen verstrekken; daarbij onthoudt de bewindvoerder die na aanwijzing van de Commissie is benoemd, zich van stemming.

7. Ingeval zowel de Directie als de Commissie een afwijzend advies uitbrengen, mag de Raad van Bewind de betrokken lening of garantie niet verstrekken.

ARTIKEL 22

1. De Bank neemt op de internationale kapitaalmarkten de gelden op welke ter vervulling van haar taak noodzakelijk zijn.

2. De Bank kan op de kapitaalmarkt van een Lid-Staat leningen opnemen in het kader van de voor binnenlandse emissies geldende wettelijke voorschriften of, bij gebreke van dergelijke voorschriften in een Lid-Staat, nadat deze laatste en de Bank overleg hebben gepleegd en tot overeenstemming zijn gekomen inzake de door de Bank voorgenomen lening.

De bevoegde instanties van bedoelde Lid-Staat kunnen hun toestemming slechts weigeren, indien ernstige storingen op de kapitaalmarkt van die Staat te vrezen zijn.

ARTIKEL 23

1. De Bank kan de beschikbare middelen welke zij niet onmiddellijk nodig heeft om aan haar verplichtingen te voldoen, op de volgende wijze aanwenden:

a) zij kan deze op de geldmarkten uitzetten,
b) met inachtneming van de bepalingen van artikel 20, lid 2, kan zij effecten kopen of verkopen welke door haar of door haar geldnemers zijn uitgegeven,
c) zij kan elke andere financiële handeling verrichten welke met haar doel verband houdt.

2. Onverminderd de bepalingen van artikel 25, verricht de Bank bij het beheer over de door haar uitgezette gelden geen deviezenarbitrage welke niet rechtstreeks noodzakelijk is voor de verwezenlijking van door haar te verstrekken leningen of voor de nakoming van de verplichtingen welke zij wegens door haar aangegane leningen of verstrekte garanties op zich heeft genomen.

3. Op het in dit artikel bedoelde gebied handelt de Bank in overleg met de bevoegde instanties van de Lid­-Staten of met hun centrale bank.

ARTIKEL 24

1. Er zal geleidelijk een reservefonds worden gevormd ten belope van 10% van het geplaatste kapitaal. Indien de stand van de verplichtingen van de Bank zulks rechtvaardigt, kan de Raad van Bewind besluiten tot het vormen van aanvullende reserves. Zolang dit reservefonds nog niet geheel is gevormd, behoort het te worden gevoed door:

a) de rente­ontvangsten uit hoofde van leningen door de Bank verstrekt uit de door de Lid­-Staten krachtens artikel 5 te storten bedragen,
b) de rente­ontvangsten uit hoofde van leningen door de Bank verstrekt uit de bedragen, verkregen door de terugbetaling van de onder a) bedoelde leningen,

voor zover deze rente­ontvangsten niet noodzakelijk zijn voor het nakomen der verplichtingen en voor het dekken der kosten van de Bank.

2. De middelen van het reservefonds dienen zodanig te worden belegd dat zij te allen tijde het doel van dit fonds kunnen dienen.

ARTIKEL 25

1. De Bank is steeds bevoegd haar bezit aan deviezen van een van de Lid-Staten over te maken in deviezen van een andere Lid-­Staat met het oog op de uitvoering van financiële verrichtingen overeenkomstig haar taak als omschreven in artikel 130 van het Verdrag en met inachtneming van de bepalingen van artikel 23 van deze Statuten. De Bank vermijdt dergelijke overmakingen zoveel mogelijk indien zij saldi beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken in valuta die zij nodig heeft.

2. De Bank mag haar bezit aan deviezen van een der Lid­-Staten niet zonder toestemming van deze Staat omzetten in deviezen van derde landen.

3. De Bank kan vrij beschikken over dat deel van het kapitaal dat in goud of in converteerbare deviezen is gestort, en eveneens over de op de markten van derde landen geleende deviezen.

4. De Lid-Staten verbinden zich, die deviezen ter beschikking van de debiteuren van de Bank te stellen, welke vereist zijn voor de terugbetaling van hoofdsom en rente van de leningen die de Bank verstrekt of gegarandeerd heeft, ten behoeve van op het grondgebied der Lid-Staten uit te voeren projecten.

ARTIKEL 26

Indien een Lid-Staat zijn uit deze Statuten voortvloeiende verplichtingen als lid niet nakomt, met name de verplichting zijn aandeel of de bijzondere leningen te storten of aan zijn verbintenissen ter zake van opgenomen leningen te voldoen, kan de verstrekking van leningen of van garanties aan deze Lid-Staat of aan zijn onderdanen worden geschorst door een met gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen besluit van de Raad van Gouverneurs.

Dit besluit bevrijdt de Staat noch zijn onderdanen van hun verplichtingen jegens de Bank.

ARTIKEL 27

1. Indien de Raad van Gouverneurs besluit de werkzaamheid van de Bank te schorsen, moeten alle werkzaamheden zonder verwijl worden stopgezet, met uitzondering van die welke noodzakelijk zijn om het gebruik, de bescherming en het behoud van de bezittingen, alsmede de afwikkeling der verplichtingen behoorlijk te waarborgen.

2. In geval van liquidatie benoemt de Raad van Gouverneurs de liquidateurs en geeft hun aanwijzingen voor de afwikkeling daarvan.

ARTIKEL 28

1. De Bank heeft in ieder der Lid-Staten de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden en in rechte optreden.

De aan de Bank verleende voorrechten en immuniteiten worden door het in artikel 218 van het Verdrag genoemde protocol bepaald.

2. De bezittingen van de Bank kunnen op geen enkele wijze gevorderd of onteigend worden.

ARTIKEL 29

Geschillen tussen de Bank enerzijds en haar geldgevers, geldnemers of derden anderzijds worden, behoudens de aan het Hof van Justitie toegekende bevoegdheden, door de bevoegde nationale rechter beslecht.

De Bank kiest woonplaats in elk der Lid-Staten. Zij kan echter in een contract een bijzondere woonplaats kiezen of in een scheidsrechterlijke procedure voorzien.

De vermogenswaarden van de Bank kunnen slechts ingevolge rechterlijke beslissing in beslag genomen of geëxecuteerd worden.


Gedaan te Rome, de vijfentwintigste maart negentienhonderd zevenenvijftig.

P. H. Spaak. J. CH. Snoy et d'Oppuers.
Adenauer. Hallstein.
Pineau. M. Faure.
Antonio Segni. Gaetano Martino.
Bech. Lambert Schaus.
J. Luns. J. Linthorst Homan