Schleyer en zijne Volapük

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
<Volapükel Nedänik


Toen de heer Schleyer na eene voorbereidende studie van twintig jaren zijne wereldtaal Volapuk had gevormd en zijne schepping, zijn geesteskind, zooals hij het noemt, aan de wereld bood, kon hij niet vermoeden, dat beleediging en hoon hem te wachten stonden.

Wel kon hij begrijpen, dat sommigen eene min of meer vijandige of smadende houding tegenover zijne uitvinding zouden aannemen, maar geenszins kon hij verwachten, dat mannen, die zich zijne vrienden noemden, die niet geschroomd hadden de diploma's van tidel en lopitidel en plofed uit zijne handen te aanvaarden, dat die mannen hem binnen ettelijke jaren in woord en daad zouden toevoegen: „gij kunt in gebrek en ellende verzinken, heer uitvinder, maar uw stelsel behoort ons. Dat zullen we zuiveren en volmaken op onze wijze en zonder u. Aan u de eer, aan u een standbeeld na uw dood, maar aan ons de vruchten van uwen arbeid!...“

Lezer, 't is treurig, maar niettemin waar: de revolutiegeest verstoort het kamp der volapükels. De demon van opstand en roof strooit met kwistige hand de zaden van twist en verdeeldheid en broederhaat, en met klimmend ongeduld verbeiden de revolutionnairen den dag, waarop zij in hun Centrum naast het eeuwfeest ook een overwinningsfeest der revolutie kunnen vieren.

Lezer, wij doen in dit opstel een beroep op uw gevoel van waarheid en recht, een gevoel, dat woont in de borst van iederen rechtgeaarden Nederlander. Wij kennen de gezindheid van ons volk, wij weten, dat het zich niet zal laten medeslepen door eene oproerige partij, die de heerlijke volapük wil verlagen tot eene eenvormige, eentonige, stroeve, wanklinkende taalk, tot een mathematisch patois.

Moge dit opstel u overtuigen van de waarheid: „Schleyer kan niet van zijne Volapük gescheiden worden.“


I.


't Was in 1880, dat de eerbiedwaardige grijsaard, de geniale Schleyer voor het eerst in het openbaar optrad, om aan de verbaasde menschheid te verkondigen: „Ik bied u het middel aan, waardoor gij u zult kunnen onderhouden met uwe natuurgenooten, onverschillig of zij wonen onder de palmboomen van de tropische gewesten, of hunne tenten hebben opgeslagen in de ijsvelden van het Noorden. Allen zijt gij kinderen van éénen Vader. Bedient u van het middel, dat broederscahp en broederliefde onder u zal vestigen.“

En met recht mocht de Datikal zoo spreken.

In edele menschenliefde had hij aan de wereld de heerlijke, de nooit volprezen Volapük geschonken. Zijne algemeene taal bezat al de goede eigenschappen der levende en doode talen, zonder ook maar in het minst behept te zijn met de gebreken en onvolkomenheden, waaraan de talen der volkeren mank gaan. Zijne wereldtaal was logisch naar een vast stelsel opgebouwd, was een taal zonder uitzonderingen, was vloeiend, welluidend en toch krachtig, was rijk aan vormen en toch gemakkelijk om aan te leeren. Zijne wereldtaal was geschapen voor minder-ontwikkelden zoo goeld als voor hooggeleerden. In eenvoudigen, zoo goed als in weligen, zwierigen stijl kon men zijne gedachten weergeven. In 't kort, de talentvolle uitvinder bood aan de wereld een kunststuk, een juweel aan, dat zijn naam zou vereeuwigen voor de volgende geslachten. Hij had de kroon gezet op de rij der heerlijke uitvindingen, die in de negentiende eeuw bij den voortgang der beschaving in het aanzijn waren geroepen. Hij had het middel uitgedacht, dat de menschen zou verbroederen, het middel, dat de slagboomen zou wegruimen, welke de talen der volken aan het verkeer in den weg hadden gelegd. Alles had hij opgeofferd, zijne geringe geldmiddelen, zijne gezondheid, zijne levenskrachten; geheel den rijkdom van zijn genie had hij uitgestort, en nu wachtte hij met ongeduld het oordeel der wereld af.

En dat oordeel kon niet anders dan gunstig luiden!

Tal van geleerden uit alle landen roemden en prezen de geniale uitvinding van den eenvoudigen landspastoor. De pers zwaaide in geestdriftvolle artikelen onverdeelden lof toe aan de grootste uitvinding der eeuw. En van dag tot dag nam het getal beoefenaren en aanhnagers der nieuwe taal toe. Maar met dien voortgang openbaarde zich ook de tegenstand. Iedere onderneming immers, hoe goed en nuttig ook, heeft hare bestrijders. Daar stonden mannen op, die zonder de moiete te doen Volapük onpartijdig te onderzoeken, zonder eenige bekendheid met de nieuwe taal, een afkeurend oordeel over Schleyers uitvinding velden, een oordeel, slechts gegrond op den waan, dat de uitvinding eener wereldtal, evenals het vinden van „den steen der wijzen“ tot de hersenschimmen behoorde. Andere beoordeelaars, gedreven door nijd of onkunde, nomeden Volapük eenvoudig taalgeknutsel, letterknoeierij. Weer anderen haalden medelijkdend de schouders op, of vierden aan hun spotlust den vrijen teugel, indien over de Volapük gesproken werd.

En trots dat alles overschreed de Volapük grens op grens en deed zij ook haar zegevierenden intocht in ons vaderland. Allerwege verspreidde zij hare zegeningen. Vele personen uit onderscheidene landen onderhielden met elkander eene levendige briefwisseling in de nieuwe taal. Vriendschapsbanden werden aangeknoopt, edele harten leerden elkander kennen en waardeeren. Het centraal blad bevatte in die dagen talrijke adressen van volapükels, die zich bereid verklaarden tot eene geregelde correspondentie. Met genoegen denkt schrijver dezes nog terug aan dien tijd, toen hij correspondeerde met vrienden der Wereldtaal uit Duitschland, Oostenrijk, Zweden, Italië, Frankrijk, Bosnië, en zelfs uit Syrië. O, honderden hebben met hem gewis het internationale gemeenschapsmiddel gezegend, dat toeliet en ewerkte, dat zoovele vriendschappelijke en hartelijke betrekkingen werden angeknoopt en onderhouden. Schleyer mocht dan ook met het volste recht in zijn blad uitroepen: „Indien de Volapük geen ander goeds uitwerkte, dan dat zij deed onstaan een kruisvuur van vragen, eene wisseling van gedachten tusschen hare aanhangers, ik zou mijne moeite, tot hare samenstelling vereischt, ruimschoots beloond achten.“

De eerbiedwaardige uitvinder mocht echter de voldoening smaken, dat niet slechts het verkeer, maar ook handel en kunst, zij het dan in bescheiden mate, den weldadigen invloed der nieuwe wereldtaal ondergingen.

Terwijl ondernemende kooplieden, vooral uit Duitschland in het centraalblad der Volapük hunne advertentiën plaatsten, terwijl honderden firma's door Schleyer werden aanbevolen, vulden de redacteurs van andere volapükabladen hunne kolommen met meesterlijke vertalingen van verzen en verhalen, met metrisch overgezette gedichten, in één woord met litterarische scheppingen van den menschelijken geest, die bewezen, dat Volapük in haar rijkdom van vormen uitnemend ter vertaling geschikt is, dat Volapük niet enkel is eene taal, uitsluitend ten behoeve van den handel geschapen, maar ook wel degelijk eene literata pük, eene taal, die de draagster kan worden van de kennis aller volken.

En hiermede zijn wij aan het slot van onze eerste beschouwing gekomen. Wij meenen in 't kort te hebben aangetoond, dat de voortreffelijkheid der Volapük theoretisch en practisch is gebleken, dat onze Wereldtaal dus levensvatbaarheid bezit, recht van bestaan heeft. Schleyer nu heeft die wereldtaal uitgedacht. Schleyer heeft ook die wereldtaal verdedigd en volmaakt, hij heeft er voor geleden en gestreden: dit zal uit ee nvolgend artikel blijken.

Schleyer heeft derhalve recht op onze dankbaarheid, recht op onzen eerbied, recht op onze onderwerping.


Sölöp.

AKILENSI.