Theo van Doesburg/Anti-tendenzkunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Anti-tendenzkunst (Een antwoord op den vraag: „Moet de nieuwe kunst de massa dienen?“)

Auteur Theo van Doesburg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Datering april 1923
Bron De Stijl. [deel] 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968. Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1968, pp. 341-342.
Auteursrecht Publiek domein

Theo van Doesburgs 'Anti-tendenzkunst' verscheen in De Stijl, 6e jaargang, nummer 2 (april 1923): p. 17-19, en is herdrukt in:

  • De Stijl. [deel] 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968. Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1968, pp. 341-342.
  • Hubert van den Berg (1995) Holland's bankroet door dada. Documenten van een dadaïstische triomftocht door Nederland, Amsterdam: Ravijn (ISBN 9072768418): p. 34-36.

[17]

[...]

ANTI-TENDENZKUNST

                                                       (Een antwoord op den vraag:
„Moet de nieuwe kunst de massa dienen?“)

Een kunst, welke zich tot één bepaalde klasse van menschen beperkt, bestaat niet. Mocht ze bestaan — ze was voor het leven onbelangrijk. Hem, die proletarische kunst willen maken vraag ik: „Wat is proletarische kunst? Is dat kunst door proletariërs zelf gemaakt? Of kunst, die uitsluitend het proletariaat dient, of kunst die de proletarische (revolutionaire) instrinkten moet wakker maken?“
Kunst door proletariërs gemaakt bestaat niet, omdat de proletariër, wanneer hij kunst schept, ophoudt proletariër te zijn, maar kunstenaar wordt. De kunstenaar is noch proletariër, noch bourgeois en wat hij schept, behoort noch aan het proletariaat, noch aan de bourgeoisie. Het behoort aan allen. De kunst is een geestelijke werkzaamheid des menschen, met het doel hem uit de chaos van het leven, de tragiek, te verlossen.
De kunst is vrij in de toepassing harer middelen, maar gebonden aan hare eigen wetten, en ook aan niets anders dan aan hare eigen wetten. Zoodra het werk een kunstproduct is, is het ver verheven boven klassenonderscheid van proletariaat of bourgeoisie. Een kunst die echter uitsluitend het proletariaat zou dienen, zou — afgezien van het feit, dat het proletariaat aangetast is

17


[18]

door de smaak der bourgeoisie — beperkt zich en wel evenzeer beprekt als de speciaal burgelijke kunst. Een dergelijke kunst zou niet algemeen zijn, niet uit wereldgevoel gegroeid, maar uit persoonlijke, sociale, tijdelijk en plaatselijk begrensde gezichtspunten.
Zal daarentegen de kunst tendentieus-proletarische instrinkten versterken, zoo bedient zij zich van dezelfde middelen als de kerkelijke en nationalistische kunst. Hoe banaal het ook mag klinken het is in wezen hetzelfde of iemand een roode garde met Trotzky aan de spits of een keizerlijke garde met Napoleon aan de spits schildert. Voor de waarde van het schilderij als kunstwerk is het absoluut onverschillig of door middel van het kunstwerk proletarische of patriotische gevoelens wakker gemaakt zullen worden.
Zoowel het eerste als het laatste is, van een kunststandpunt uit gezien, bedriegelijk. De kunst heeft met hare eigen middelen scheppende krachten in de menschen te verstreken. Haar doel is de rijpe mensch niet de proletariër of de burger.
Slechts kleine talenten kunnen uit gebrek aan diepte — waardoor zij het groote niet kunnen overzien — zooiets als proletarische kunst (dat beteekent: politiek in geschilderden toestand) maken. Hij die kunstenaar is vindt zijn stof in het leven en kan elk speciaal gebied der sociale organisatie ontberen.
De kunst, zooals wij haar willen, is noch proletarisch noch burgerlijk. Zij ontwikkelt krachten die sterk genoeg zijn de geheele kultuur te beinvloeden, in plaats van door sociale verhoudingen beinvloed te worden.
Het proletariaat is een toestand, die overwonnen worden moet. De bourgeoisie is een toestand, die overwonnen worden moet. En daar nu de proletariërs met hun zgn. „Proletarische kultuur“ de burgelijke kultuur nabootsen, zijn juist zij, de proletariërs het, die deze verdorven kultuur steunen, zonder zich dit echter bewust te zijn.
Tot schade voor de kunst en tot schande voor de kultuur.

18


[19]

Door hunne aanhankelijkheid voor de oude, reeds lang overwonnen uitdrukkingsvormen en hunne geheel onbegrijpelijke, ongerijmde afkeer voor de nieuwe kunst, houden ze juist datgene in het leven, wat ze volgens hun program bestrijden willen: de burgelijke kunstsmaak en de burgelijke kultuur. Zoo komt het, dat sentimentaliteit en dweperige vaagheid (romantiek), ondanks de sterkte pogingen der radicale kunmstenaars, deze te niet doen, altijd nog blijven voortleven, jà, zelfs opnieuw worden aangekweekt.
De meening, dat men de kunst uit het communisme kan vernieuwen is een dwaling. Het communisme is een reeds even burgelijke aangelegenheid als het parlementaire socialisme: kapitalisme in een anderen vorm. De bourgeoisie gebruikt het communistische apparaat slechts als een vernieuwingsmiddel voor haar eigen bedorven kultuur. (Zie Rusland.) Zoodoende strijdt de zgn.: „proletarische“ kunstenaar noch voor de kunst, noch voor een nieuwe levensorde — maar, — zonder het te willen of te weten, — voor de bourgeoisie.
Elk „proletarisch kunstwerk“ is in wezen niets anders dan een plakaat voor de (toekomstige) bourgeoisie.

Dat wat wij, de moderne kunstenaars daarentegen voorbereiden, is het monumentale kunstwerk, dat ver verheven is boven alle plakaten of ze voor champagne, Dada, of kommunistische dictatuur gemaakt zijn.

Théo van doesburg Kvadrato.svg

den Haag 1923

[...]

19