Theo van Doesburg/De heilige steen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De heilige steen
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 9 september 1916
Titel ‘De heilige steen. Sprookje’
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg , 327,
Genre(s) Fictie
Brontaal Nederlands
Bron Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, pp. 669-670. ISBN 9068682555
Auteursrecht Publiek domein
Ter illustratie: Theo van Doesburg. Boom. Juli 1916. Olieverf op doek. Portland, Portland Art Museum.

De heilige steen

Voor onafzienbare eeuwen werd de heilige steen gegraven uit het hart der aarde. Nu wilde het ongeluk, dat door onvoorzichtigheid der delvers de kostbare steen viel en in duizend stukken brak. Terstond grabbelden alle handen om een stukje van den heiligen steen te bemachtigen. „Want,” zeiden de menschen, „wanneer je ’n stukje van dien steen altijd bij je draagt, gaat het je goed in de wereld.” En zie, er bleef niets over, dan de plek waar de steen gelegen had. Op die plaats nu plantte men een boom. Deze wies vlug op en droeg spoedig wonderlijke, prismatische bloemen. En uit alle oorden kwamen de menschen om van dien boom ’n bloem, ’n blad of zelfs maar een schorsje mee te nemen. „Want,” zei men, „als je maar ’n bloem ’n blad of ’n schorsje van dien boom altijd bij je draagt, zal het je goed gaan in de wereld.”

Aan den heiligen steen dacht niemand meer.

Er kwamen nu zooveel menschen tot den boom, dat deze er weldra uitzag als afgevreten door de rupsen. Hij wilde niet meer groeien en stierf. Omdat zoo’n kale romp niet mooi was, ontrukte men hem aan de aarde, met wortel en al. Er was nu op die plaats een groote zwarte wond in de aarde.
      Doch zie, op ’n morgen was het gat met kristalhelder water gevuld! Niemand wist van waar het kwam. Men beschouwde het daarom als heilig water en velen dronken er van. Het was spoedig bekend en van wijd en zijd kwamen de menschen om zich te laven. „Want,” zeide men, „als je maar een beetje van dat water gebruikt hebt, zal het je altijd goed gaan in de wereld.”
      Vele menschen hadden fleschjes bij zich en vulden die en namen die mee. Dat ging zoo niet langer en daarom pachtte de kerk de bron van den Staat en ieder kon tegen betaling van wat kopergelden zich bedrinken aan de heilige bron.
      Het gevolg hiervan was, dat de bron opdroogde. Er werd nu een hekje om die plek gezet en velen gingen toch naar deze plaats, namen steentjes, die ze daar vonden mee. „Want,” zeiden ze, „als je zoo’n steentje maar altijd bij je droeg, kon het je nooit slecht gaan in de wereld.”
      Na een poos dacht niemand meer aan den heiligen boom, noch aan de bron, noch aan de steen, die gedolven was uit het hart der aarde. Alles ging intusschen z’n gewonen gang. De zwendelaars werden dik, de oprechten arm. De slechten rijk, de goeden mager.

Nu wilde het toeval of de voorzienigheid, dat er eens een reiziger op expeditie zijnde langs die plek kwam. Toen hij zoovelen eerbiedig om het heilige hekje geschaard zag staan, werd hij zeer nieuwsgierig en wilde de geschiedenis van die geheiligde plaats wel eens weten. Daarom vroeg hij een opzichter, — na hem een fooitje gegeven te hebben:
      „Vertel mij eens iets van deze plek!” En de opzichter vertelde:
      „Op deze plaats was vroeger een bron, die zoo maar ontstaan was. Het water van die bron had een bijzondere kracht. Ieder, die daarvan dronk werd gelukkig. Bestreek men er zieke plaatsen van het lichaam mede dan werden die weer gezond. Blinden kregen het gezicht terug: dooven het gehoor: lammen konden weer loopen en stommen weer spreken. Daarom kwamen de menschen uit alle oorden om zich aan die bron te laven. Maar eindelijk is de bron opgedroogd en bleef er niets over dan een zwart gat.”
      „En wat was er vóór die bron?” vroeg de reiziger.
      „Wel, toen stond er ’n boom. Die boom had eveneens een bizondere kracht. Daarom kwamen velen om een blaadje van dien boom te plukken. Zoo’n blaadje had de kracht kwalen te genezen: twisten te voorkomen en de bezitters geluk aan te brengen.”
      De reiziger herinnerde zich nu wel, hoe dikwijls hij, ook in zijn eigen hand, zulke blaadjes, ja geheele takken, gezien had. Hij had er altijd den draak mee gestoken, daarom vroeg hij: „En waarom gelooven de menschen dat... waar komt die kracht dan toch vandaan?”
      „Wel weet u dan niet, dat voor eeuwen geleden op deze plaats — en de opzichter wees naar het hekje — de heilige steen neergekomen is?”
      „Wat... de heilige steen... de heilige steen, wat is dat voor een steen?” vroeg de reiziger.
      „Maar weet meneer dan niet”, zei de opzichter geraakt, alsof men hem beleedigd had, „maar weet meneer dan niet, dat de steen door twee engeltjes uit den hemel op aarde is gebracht... dat ze per ongeluk dien steen lieten vallen en hij in duizend scherven brak?”
      „En waar zijn die scherven gebleven?” vroeg de reiziger met plotselinge belangstelling.
      Op deze vraag haalde de opzichter hemelhoog zijne schouders op...
      De reiziger gaf ’m gauw nog een fooi, waarna zijne schouders weer zakten en hij zijn functie van opzichter der geheiligde plek weer kon waarnemen.

Het verhaal van dien steen boezemde onzen reiziger zooveel belang in, omdat hij onder zijne geologische verzameling één steensoort had, waarvan hij de herkomst maar niet kon uitvorschen.
      Hij besloot nu noch moeite noch kosten te ontzien om den geheelen steen bij elkaar te krijgen. Maar hoe? Hoe zou hij over de geheele wereld de menschen vinden, die nog een scherf van den heiligen steen bezaten. Hij pijnigde zijn hersens, doch vond geen middel. Hij was zoo vervuld van dit plan, dat hij er ’s nachts van droomde.
      Ziehier zijn droom:
      Hij bevond zich in een zeer vreemde streek, waar alles cocoskleurig was; de hemel ultramarijn-blauw. Een rij vrouwen, in lappen gewikkeld, met cocoskleurige huid, kleine hoofden, waarin oogen zoo donker en groot, als hadden ze zwarte brillen op. Op het hoofd droegen zij steil-staande haarbossen, zoo hard als een cocosboender. De vrouwen toonden den reiziger hun gezwollen voeten. „En?” vroeg de reiziger. „We hebben de heele wereld afgeloopen, we hebben steden en dorpen, we hebben alle menschen bezocht en we hebben hen gevraagd: „bezit ge ook een scherf van den heiligen steen?” De meesten antwoordden: „neen.” Velen zeiden: „ja, kijk maar hier.” En ze toonden ons een stuk van den steen, maar niemand wilde zijn scherf afstaan, ze zeiden: „Zoodra we die scherf kwijt zijn, zal het ons niet meer goed gaan in de wereld.” Anderen toonden ons een blaadje of een bloem. Ze zeiden: „Wij hebben geen steen, maar we hebben een blaadje”, of: „we hebben een bleom”, maar geen wilde het afstaan.”

Toen de reiziger ontwaakte, heeft hij een paar sterke laarzen aangedaan, heeft hij een grooten stok genomen, is hij vertrokken om de stukken van den heiligen steen te zoeken, maar tot op dezen dag is de steen nog niet compleet. En de reiziger zoekt nog immer.