Theo van Doesburg/De kunstenaar een schoonheidsdienaar

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
De kunstenaar een schoonheidsdienaar
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 18 oktober 1913
Titel ‘De kunstenaar een schoonheidsdienaar’
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg , 176, z.p.
Opmerkingen Bevat citaten van Guillaume Apollinaire en Martinus Willem Mook
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

DE KUNSTENAAR EEN SCHOONHEIDSDIENAAR.

Ce monstre de la beauté n’est pas éternel.
Guillaume Apollinaire.      
(Méditations Esthétiques, p. 5.)

                                                             Naar aanleiding van „De Vier Fasen” door M.W. Mook „Eenheid” 173. En wel: „Maar de schoonheidsdienaar, de kunstenaar...”
      „Doch wie aldus het schoone verzaakt om het ware te zoeken; wie van den dienst der schoonheid tot den dienst der waarheid overgaat, die houdt voorloopig (sic v. D.) op kunstenaar te zijn...”
„Maar de waarachtige, de scheppende kunstenaar, die het ware wezen der kunst (? v. D.) niet theoretiseerend betoogt, maar het uit zich zelve, belichaamd in rijkdom van vormen te voorschijn brengt, zulk een van God begenadigde zal een dergelijk kunstverzakend filosoof 1) (Da Vinci b.v.? v. D.)niet langer als zijn gelijke, niet meer als kunstenaar erkennen....”
      „... het kunstenaar zijn toont zich in ’t kennen niet, maar in ’t kunnen.”

      Het is niet mijne bedoeling de denkbeelden van den heer M.W. Mook in ’t bizonder te bestrijden, maar het is mijne bedoeling de denkbeelden, die door de hierboven geplaatste zinnen tot uitdrukking komen en die reeds eeuwen lang de ronde doen, in ’t algemeen te verstoren.
      Deze monstertjes van het artikel „Schoonheid” zijn reeds zoo vele malen van hand tot hand gegaan, dat zij op ’t laatst verkleurd en gekreukt zijn geworden, dat zij op ’t laatst verkleurd en gekreukt zijn geworden. In meer dan één artikel heb ik reeds het oude traditioneel-burgerlijke begrip bestreden, dat schoonheid de voornaamste of liever de eenigste en eeuwige wortel van de Kunst zoude zijn.
      Want: dat is zoo niet.
      Eveneens heb ik bestreden en bestrijd ik:
      Dat de maker van kunstwerken, ditmaal van schilder-kunstwerken, alléén dàn kunstenaar zoude zijn, wanneer de drijfveer zijner scheppende handelingen schoonheid is.
      Ik meen: het is zoo niet.
      Voorts bestrijd ik en ditmaal met de kracht van mijn leven die de Kunst-zelve is, bestrijd ik met de Kunst zelve:
      dat de kunstenaar het schoone verzakend, om het ware (dat ook in het leelijke schuilt) te zoeken en van den dienst der schoonheid overgaat tot den dienst der waarheid, ophoudt kunstenaar te zijn...”
      Heusch, het is zoo niet.
      En eindelijk bestrijd ik het begrip:
      dat het kunstenaar zijn zich toont in ’t kunnen.

* *

      Alvorens deze begrippen weder opnieuw op te diepen, had de schrijven van het aangehaalde artikel een verklaring moeten geven van hetgeen door hem onder het begrip „schoonheid” verstaan wordt.
      Dat doet hij niet.
      De schrijver doet het voorkomen alsof wij allen wel weten wat onder „schoonheid” verstaan moet worden. Maar heusch, wij weten het niet.
      Ondanks de vele begrippen die over „schoonheid”, door verschillende aesthétici ontwikkeld zijn, weten wij het niet en zullen wij het nooit weten. Wij zullen het nooit weten, omdat er geen vast begrip, geen vaste maatstaf voor hetgeen „schoon” is bestaat. Omdat er geen vaste maatstaf voor schoonheid bestaat kunnen we naar de schoonheid de Kunst niet beoordeelen. We kunnen de Kunst niet volgens de schoonheid beoordeelen omdat de Kunst niet altijd hare basis in de schoonheid heeft. De Kunst heeft hare vaste basis niet in de schoonheid, waardoor de kunstenaars niet noodwendig of tegelijk, of altijd schoonheidsdienaar zijn.
      Waarom kan er geen vast begrip voor „hetgeen schoon is” gevonden worden? Omdat schoonheid een aandoening is, die door een ieder anders wordt ondergaan. Omdat schoonheid onderhevig is aan het psychische bevattingsvermogen en aan den smaak van elk individu afzonderlijk; van elk volk afzonderlijk; van elke volkengroep afzonderlijk.
      Wat de Chinees „schoon” noemt, dat noemt de Europeaan „leelijk”. „Schoon” voor den Europeaan is „leelijk” voor den Chinees. Wat mijn vader schoon vond, dat vind ik leelijk. Wat mijn moeder schoon noemt, ik noem ’t leelijk. Wat mijn rechterbuurman schoon noemt, dat vindt mijn linkerbuurman leelijk.
      Die pokdalige man daár met zijn koperrooden neus: wij vinden hem leelijk, Rembrandt vond hem goddelijk én schoon.
      Wat de burger leelijk noemt, dat noemt de kunstenaar schoon. Wat de kunstenaar schoon noemt, dat noemt de burger leelijk. Wat de eéne kunstenaar „schoon” noemt, dat noemt de andere kunstenaar leelijk.
      En zoo rolt deze appel van Eris tot in ’t onafzienbare voort.
      Nu is de schoonheid zeer elastisch. Men kan haar uitrekken Men kan haar zeer ver uitrekken. En dat heeft men dan ook altijd gedaan wanneer men met eenig kunstwerk geen uitweg wist, doordat het buiten het bereik der z.g.n. schoonheid lag. Men rekte de schoonheid maar zoo ver uit, dat ook dat kunstwerk binnen haar bereik kwam
      Door krachtig-denkende en arbeidende kunstenaarsfiguren is dan ook sinds lang deze schoonheidsidée — die haar glorie gekend heeft bij de Grieken en Romeinen, als basis tot kunst verworpen. De aesthetische door David (het zichtbare schoon), Ingres (het zuivere schoon), Girodet, Bougureau, Scheffer als credo aangenomen werd — en gelukkig — door Giricault (het uitdrukkingsvollle) en Delacroix verworpen. Juist omdat de latere kunstenaars den „leugen” zagen op de schilderijen van David, Ingres en de academisten, wendden zij zich met weerzin van „de schoonheid” (den leugen) af om het ware te zoeken
      Aan dit verzaken van de „schoonheid” om het ware te zoeken hebben we de geheele levende kunstbeweging van de 19e eeuw te danken. Want eerst toen men zich los had geworsteld van den leugen der schoonheid, kon men de waarheid van het leven openbaren.
      Zonder deze verzakers der schoonheid — ik zal ze aanstonds noemen bij hunne namen — zou de geheele kunst van het Europa der 19e eeuw niet als een vlam voor onze oogen branden.
      Zonder deze „dienaren der waarheid” zou de voornaamste voorwaarde voor groote monumentale Kunst: het leeren kennen van nieuwe gevoels-openbaringen, waardoor het alleen mogelijk is dat de kunst van onze, van de twinstigste eeuw, groeien en bloeien kan, onbestaanbaar zijn.
      Welnu dan!
      Indien het juist was dat de kunstenaar, die het „schoone” verzaakt om het „ware” te zoeken, ophield kunstenaar te zijn, dan zijn, om maar eenigen door elkaar te noemen:
      Brueghel (de oude), Rembrandt, Frans Hals, Gericault, Delacroix, Courbet, Millet, Honoré Daumier, Eugène Carrière, Degas, Cézanne, Vincent van Gogh, Paul Gauquin, Zola, Socrates, Boeddha, Jezus, Tolstoy, Lepage, Lhermitte, Rodin, Meunier, de Groux, Léon, Frédéric, Laermans, Duff, Rjepin, Vereschagin, enz. (nog niet van lateren te spreken,) geen kunstenaars.
      Al de hierboven genoemde kunstenaars, die werken (van welken aard of vorm doet er niet toe) van hooge beteekenis voor de menschheid voortbrachten verwierpen, de een meer, de ander minder, de een bewust, de ander onbewust, de schoonheid als basis voor hunne geestesuitingen!

      Kunst kan uit verschillende gevoelens-bronnen ontspringen, het komt er slechts op aan welke bron de beste is voor het menschenras. Die bron is de beste welke het meest voedzame en den Mensch versterkende „vocht” inhoudt.
      Versta mij wel! Schoonheid, een eigenschap van de Natuur, behoeft niet noodwendig een eigenschap van de Kunst te zijn, aangezien kunst en natuur niets met elkaar gemeen hebben; de eerste niet een herhaling van de tweede heeft te zijn. Integendeel, Schoonheid is een belemmering niet alleen tot het maken van monumentale en menschelijke kunst, maar ook tot het verstaan van Kunst.
      Wanneer we nu, zooals in het artikel van den heer Mook, het „Schoone” tegenover het „ware” plaatsen, dan volgt daar vanzelf in, dat het „schoone” het „onware” is. Het onware, dat is: leugen. Is de kunstenaar een schoonheidsdienaar, dan is hij tegelijk een dienaar van den Leugen.
      Nu ja, van den schoonen leugen misschien, maar toch van den leugen.
      Schoonheid en genot gaan samen.
      Schoonheids-aandoeningen en genots-aandoening bewegen zich als twee oogen in één hoofd, tegelijkertijd.
      Is de kunstenaar een schoonheids-dienaar, dan is hij tegelijk een dienaar van het genot'.
      Een dienaar van het Genot;
      een dienaar van den Leugen; —
mij dunkt: dat moet de kunstenaar niet zijn.
      Wat de overige, door mij aangestipte punten betreffen: „dat de waarachtige, de scheppende kunstenaar het ware wezen der kunst niet theoretiseerend betoogt” en dat de kunstenaar die dat doet „kunst verzakend” genoemd moet worden, dat is ook een ledige theorie. De praktijk leert dat juist door de kunstenaars, die hunne inzichten in literairen vorm uitdrukten, de Kunst verder en op nieuwe banen werd gebracht. Zooals Da Vinci, Michel Augelo, Luco Dolce, Delacroix, Gericault, Millet, van Gogh, Cézanne, Kandinsky enz. (al was het niet altijd de Kunst doch de Wetenschap die zij vooruit stieten). Men kan het moeilijk beletten, hoe weinig de kunstenaars zich er ook aan zullen storen of „de waarachtige scheppende kunstenaars” hen al dan niet als „zijn gelijke” zal willen erkennen. Het zal hen (de filosoof-kunstenaars volgens den heer Mook) heusch zoo’n groote eer niet zijn om tot het slag van kunstenaars te behooren; integendeel, de bewust-geworden mensch (= denker)-kunstenaar zal met medelijden op de type van „waarachtige, scheppende kunstenaar” neerzien.
      De oude kernlooze phrase, dat „kunst kunnen is” werd en wordt nog altijd gebruikt door de journalisten die verslagen opstellen over de producten van het hart; van het menschelijke hart. Zoo publiceerde de verslaggever Laffelt naar aanleiding van een tentoonstelling der werken van Vincent van Gogh, Juli 1905, in het Nieuws van den Dag dat „Kunst kunnen is” en dergelijk „onrijp ooft” (het oeuvre van Gogh!) geen aanspraak kan maken op kunst.
      Maar als kunst dan kunnen is, mijn goeie man, waarom zijn dan al die heeren die zoo verbazend goed armen en beenen, handen en lichamen „kunnen” schilderen en houwen uit steen, geen kunstenaars?
      Loopen is met de beenen kunnen bewegen, loopen is toch heusch nog iets anders!
      Amsterdam, September 1913.

Theo van Doesburg.