Theo van Doesburg/De legende van Bimbisara

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De legende van Bimbisara
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 8 november 1913
Titel De legende van Bimbisara
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [4], 179, z.p.
Genre(s) Fictie
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

DE LEGENDE VAN BIMBISARA

door

THEO VAN DOESBURG.

      Toen de koning Bimbisara, de zilverlokkige, uitgestrekt lag op zijn rustbed, kwam de begeerte in hem op: een afbeeldsel te bezitten van den wijdvermaarden Boeddha. Des avonds zond hij een dienstknecht uit, zeggende: „Gaat en zoekt hem, opdat hij mij bij het avondmaal gebruike en het kruide met zijn geest.”
      Ook zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: „Gaat naar de beste werklieden van den geest uit alle windstreken. Zoekt de beeldsnijders op en de schilders, de beste, die van verf en olie licht maken. Noodig hen uit voor hedenavond aan mijn disch.”
      En de beeldsnijders kwamen, gezalfd met glimmende baarden en geparfumeerde haren. En de schilders kwamen, de beste; zij hadden ringen aan de lange vingers; gouden ringen waar steenen in waren, die regenboogjes uitstraalden. Hunne nagels waren zeer rein. En zij allen bogen diep voor den Koning Bimbisara. Van sommigen kraakte de ruggestreng.
      Maar de Koning Bimbisara was een nederig en wijs man, daarom zeide hij als antwoord op hun buigingen, lachend: „Gij vegistU, ik ben niet de zon, waarvoor gij knielen moet als een brahmaan, ik ben slechts de maan. De zon zal aanstonds opgaan.” Maar de kunstenaars begrepen niet en de meest wetende zeide: „Heer Koning, hoe is het? ... Wij begrijpen niet ... Is het niet avond ... en gaat niet des avonds de maan op?” (Want zij wisten niet dat de Boeddha verschijnen zou.) Doch de zilverlokkige Bimbisara schudde het hoofd, zóó dat zijn kroon rinkelde, en hij zeide: „Ditmaal gaat de zon in den avond op. Gaat heen, reinigt U en haalt uwe materialen. De Boeddha komt hier en ik begeer een afbeeldsel van hem.”
      En de beeldsnijders en de schilders spoedden zich naar hunne werkplaatsen en na eenigen tijd kwamen zij terug, doch met minder glans, met minder geur en met minder kleur en lawaai. De meest wetenden onder hen hadden stoffen medegebracht: de beeldsnijders hadden ivoor en was; de schilders gespannen zijde, lakwerken, verwen en olieën. En toen zij gezeten waren op rustbedden en met elkaar twistten en denKoning Bimbisara vleiden, toen gebeurde het, dat de Boeddha verscheen met zijn bedelnap en de stilte om hem heen. Zijn kleeren waren grof en bemorst; hij ging in één rechte lijn door de groote stille zaal. Zijn oogen waren neergeslagen en met één licht gebaar van zijn gouden hand groette hij alle aanwezigen tegelijk, zonder onderscheid. Daarna zeeg hij in de knieën door. Zijn voetzolen waren met eelt bezet. Er was een geruime poos stilte en nadat de Boeddha wat gegeten had, wenkte de Koning Bimbisara de kunstenaars, opdat zij beginnen zouden een afbeeldsel te maken van den Grooten Mensch. En de beeldsnijders en de schilders futselden wat met materialen; maar zie, de Boeddha, het bemerkend aan het geraas, dat zij verwerkten, sloeg de oogen op en zag hen aan.
      Toen lieten de beeldsnijders en de schilders de materialen vallen en weken van schrik achterwaarts, want het oog van den Verlichten Mensch had op hen geschenen en zelfs de meest wetenden onder de kunstenaars konden het niet verdragen. Het was hen of hij of zij in het zonlicht gezien hadden, tot blind wordens toe en helaas, zij hadden geen ander zintuig, dat dit licht verdragen kon.
      „Ik zag de zon,” zei de een. „O! dat oog,” zei de ander. „Ik zag den geest,” zeide een derde. Doch de Boeddha antwoordde op het geraas dat de kunstenaars verwekten: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: God schept zonder geruisch.” En de kunstenaars kwamen weder tot bedaren en de meest wetende onder hen zeide: „Wij kennen niet, heer, wij weten niet.” Toen begeerde de Boeddha een doek.
      Er was een doek. En zie Hij liet zijn Schaduw op dit doek vallen en noodigde de meest wetenden der kunstenaars uit hiervan een omtrek te maken. En zij schiepen dien. Toen dat gereed was, noodigde de Boeddha de kunstenaars uit hieronder te schrijven: de Mensch uit het verleden, van het heden en van de toekomst. Ook dat schiepen zij. Toen dit gedaan was zeide de Boeddha: „Voorwaar, zooals deze teekening zich voorhoudt tot mij, zoo verhoudt Uwe kennis zich tot de kennis en voorwaar zeg ik U, zooals de maan zich verhoudt tot de zon, zoo verhoudt de Kunst en wat van menschen gemaakt is, zich tot het Eeuwige Leven en wat niet gemaakt is.
      Amsterdam 1913.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, ISBN 90-6868-255-5, p. 611.