Theo van Doesburg/Grootmeesters der Beeldende Kunst/4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Grootmeesters der Beeldende Kunst [4]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 18 augustus 1917
Titel Grootmeesters der Beeldende Kunst
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [8], 376, [1]
Eenheid no 376 article 01 column 01.jpg Eenheid no 376 article 01 column 02.jpg
Opmerkingen Vervolg op Grootmeesters der Beeldende Kunst [3]; Jean François Millet (II) vermeld als Millet, Léon Augustin Lhermitte als Lhermitte
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

Grootmeesters der Beeldende Kunst.


I. FRATE GIOVANNI DA FIESOLE genoemd: BEATO ANGELICO.


Een studie door


THEO VAN DOESBURG.


(Slot, zie „Eenheid van 23 Juni).


XVI.


      De kunst van Fra Angelico is de verbeelding van eene algemeene niet van een individueele levensvoorstelling. Deze levensvoorstelling was niet gebaseerd op de realiteit maar op de verbeelding. Deze verbeelding was de realiteit. De hartstochtelijke werkelijkheid en de werkelijkheid het onderwerp der secundaire plaats in zijn werk. Eerst later, tijdens de Renaissance, wordt de hartstochtelijke werkelijkheid het onderwerp der scaindaire kunstuiting.
      Door eene bepaalde – aan den tijd gestelde – geestelijke cultuur was de mensch in hem vernietigd. Vandaar dat de kunst van Fra Angelico geen humanitaire ontroeringen verwekken kan, zooals de werken van Millet, Lhermitte en Vincent van Gogh.
      Evenmin als Fra Angelico in zich het onderscheid waarnam tusschen de religieuze en aesthetische idee, – aangenomen dat er ’n essentieel onderscheid bestaat, – evenmin werden van Gogh en Millet het verschil gewaar tusschen het humanitaire sentiment en de aesthetische idee der schilderkunst en die der kunst in den ruimsten zin.
      Bestaat er ’n essentieel verschil (van aandoeningssoort), er bestaat eveneens een overeenkomst. Juist deze overeenkomst van de religieuse en de aesthetische idee komt aan het licht in onzen tijd. In onzen tijd, omdat de kunst zich afgescheiden van de religie ontwikkeld heeft en beide op eigen terrein met eigen middelen de gewaarwording van het Universeele trachten uit te drukken.
      (De reden hiervan in deze studie te omschrijven, zou mij niet moeilijk vallen, doch zou ons buiten de bedoeling dezer beschouwing voeren. In ’t kort bestaat die reden in het feit van beider vergeestelijking).
      In de twintigste eeuw ontstond een dieper inzicht betreffende beide levensfactoren: kunst en religie. Dit inzicht bracht zoowel het essentieele verschil als de overeenkomst aan het licht. Zoowel de religie als de kunst eischen absolute afwezigheid van het organische zijn. De waarde van beide wordt hierdoor bepaald. Beide: religie en kunst zijn producten van des menschen geestelijke cultuur en eischen daarom absolute ontheffing van de materieele werkelijkheid, wil althans de ervaring van het volstrekt-universeele bereikt worden.


XVII.


      Het organische is het afgeslotene.
      Het geestelijke is het ruimtelijke.
      De ervaring en uitdrukking van het eerste moet noodwendig een gevoel van beperking mede brengen. Vandaar dat de kunst, welke zich met het organische (natuurlijke) bezighoudt en zich daartoe beperkt, van lager orde is dan de kunst welke het ruimtelijke tot uitdrukking brengt. De ervaring en uitdrukking van het ruimtelijke moet dus noodwendig een gevoel van verlossing te weeg brengen. Vandaar dat de kunst welke zich met het ruimtelijke door abstractie van het organische, bezig houdt van hooger orde is dan de kunst gebaseerd op organische verschijnselen.
      Zoowel de religie als de kunst trachtten door onderdrukking van het organische, de genade van het boven-organische, het volstrekt-universeele, tot uitdrukking te brengen: de kunst primair; de religie door middel van de kunst, secundair.


XVIII.


      Wat nog van zeer bijzondere beteekenis is voor een juist inzicht betreffende de werken van Fra Angelico is, dat deze monnik die in een kloostercel leefde, in zijn fresco zooveel mogelijk aan de organische geslotenheid tracht te ontkomen
      Zijn schijnfiguren, waarin hij de natuur vernietigd heeft voor den geest, zet hij zooveel mogelijk los in vlakke ruimtelijkheid. (Zie Beato Angelico. Sue opere in Firenze. Album di Tavole XXX 4. 9. 12. 17. 28).
      Het perspectivisch-begrenzende gaat verloren en de kompositie krijgt het voor dien tijd meest ideale karakter van decoratieve kunst. Zien wij het fresco „Christus met den blinddoek” (17), dan moet het ons, in verband met het inzicht aan het begin dezer opstellen ontwikkeld, niets verwonderen, dat hij hier een kop (Judas) en vier handen los in de ruimtelijkheid plaatst. Het organische immers is voor hem middel om tot expressie van een hoogere geestelijke levensvoorstelling te komen. 1) Wij beseffen, dat het hier gaat om de realiteit der verbeelding tot expressie te brengen. Middeneeuwsch expressionisme dus!


XIX.


      Het goud dat Angelico in zijn fresco’s gebruikte is, via Byzantium, van Griekschen oorsprong. In sommige, in primaire kleuren uitgevoerde, fresco’s zijn de los-staande figuren door goud verbonden. De Grieken gebruikten het voornamelijk in hun ornamentiek om de kleuren van elkaar te scheiden.
      In de middeleeuwen en bij Fra Angelico krijgt het goud een meer symbolische beteekenis. Toch stoort het goud noch de letters de sfeer die van deze werken uitgaat.


(Wordt gevolgd door II De Renaissance).


      1) Hoewel wij ons hier niet over zullen verwonderen, zullen wij, gedreven door een meer materialistische kunstvoorstelling, thans lachen om de obsessieve kunst van Marc Chagall, de geestige van Paul Klee, enz.