Theo van Doesburg/Grootmeesters der Beeldende Kunst/5

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Grootmeesters der Beeldende Kunst [5]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 20 oktober 1917
Titel Grootmeesters der Beeldende Kunst
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [8], 385, 38-39
Eenheid no 385 p 038 column 02.jpg Eenheid no 385 p 038 column 03.jpg
Opmerkingen Vervolg op Grootmeester der Beeldende Kunst [4]; Michelangelo Buonarroti vermeld als Michelagniolo, Leonardo da Vinci als Da Vinci, Rafaël Santi als Rafaël, Dante Alighieri als Dante, Girolamo Savonarola als Savonerola
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

[38]


[...]


Grootmeesters der Beeldende Kunst.


II.


DE RENAISSANCE


(Michelagniolo – Da Vinci – Rafaël.)


Een studie door


THEO VAN DOESBURG.


I.


      De verhouding van de Renaissance tot de Gothiek.
      De inhoud der Gothiek is het Geloof.
      De inhoud der Renaissance de Empirie.
      Het eerste berustte op de verbeelding en vond zijn gunstigste uitdrukking in de mystiek.
      De Empirie (ervaringsleer) berustte op de realiteit en vond haar gunstigste uitdrukking in de Kunst.
      In dezelfde verhouding als de verbeelding staat tot de ervaring (der realiteit) staat de Gothiek tot de Renaissance.


II.


      Het levensprincipe der Gothiek had zijn onbewuste reflex in de kunst of wat wij als zoodanig erkennen. De kunst was geen bewuste uiting; noch van den inhoud der verbeelding, noch van den inhoud der realiteit.
      De inhoud van de middeleeuwsche kunst was niet „kunst” in den meest bepaalden zin, maar de begeerte naar een hoogeren levensvorm (is geloof).
      Het gevoelsaccent lag dus niet op het aesthetische om het aesthetische, maar op den algemeenen verbeeldingsinhoud (is god).


III.


      Zooals ik reeds in mijn studie over Fra Angelico vermocht aan te toonen, kende de Gothiek geen aesthetische zelfstandigheid. De kunst, vooral de beeldende, nam een ondergeschikte, dienende plaats in. Het beeldende bewustzijn was latent. Het beeldend vermogen was innerlijk verbonden met den religieuzen verbeeldingsinhoud. Hierdoor was de schilderkunst eenerzijds, het schrift der analphabeten, – vooral wat betreft de kerkglas-schilderkunst – ten onrechte glas-in-loodkunst genoemd – waarop ik afzonderlijk terugkom, –anderzijds ’t middel om elkaar in een heerschend gevoelen te verbinden. Het eerste is het practische, het tweede het geestelijk element dier schilderkunst. Toch moet men zich dit geestelijk verband door schilderkunst niet al te mooi voorstellen. Men vergete niet dat achter het dogma van den tijd de natuurlijke mensch stond, de mensch waarin de hartstchtelijke levenswerkelijkheid verborgen smeulde. De godsdienst, of juister, het dogma van dien tijd, vermocht den mensch niet van zichzelf te verlossen. Hij bleef individu. De mensch had zich nog niet als den mensch (is bewustzijn) gekend.
      Hij moest zich nog veroveren.


IV.


      Voor hen, die lijden aan werkelijkheidsvrees is het wellicht te ontraden de geschiedenis der menschheid te bestudeeren, om uit wat zij voort-


[39]


bracht het menschelijk wezen te begrijpen. Waarlijk er is geestesmoed voor noodig om door al die poelen van menschelijke en benedenmenschelijke wreedheid, bloeddorst en wellust te waden; gevolg van domheid en bedorven denkbeelden.
      En toch is dit alles, op een ruimer plan gezien dan het individueele, de noodzakelijke beroering, die aan elke geestelijke en materiëele verschuiving vooraf gaat. De menschheid leert nieuwe afmetingen van het leven kennen en alvorens een algemeene begripsconcentratie bereikt is moeten groote botsingen van individuen plaats hebben.
      Uit de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid, – dat is feitelijk alleen: de ontwikkeling van het bewustzijn aangezien het menschelijke synoniem is met het bewustelijke, – kunnen wij deze stelling putten: de beroering, die aan elke geestelijke en materieele verschuiving vooraf gaat is sterker, dieper en uitgebreider naarmate de nieuwe levensafmetingen grooter en dieper zijn.


      De Renaissance nu is de bekentenis van de ervaring eener nieuwe levensafmeting.


V.


      Elke hemel van verbeelding gemaakt moèt instorten. Elke hemel van realiteit gemaakt blijft.
      Toen de middeneeuwsche mensch zich een hemeltje gemaakt had van een algemeene verbeelding, welke tot inhoud had: zichzelf, god en het hiernamaals [zichzelf als het middelpunt van de aarde; de aarde als het middelpunt van het heelal; god als het middelpunt van het hiernamaals (hemel)] stortte dit hemeltje ineen zoodra Ciordano Bruno de realiteit bewees, nl. dat de aarde niet het middelpunt van het heelal was maar een ondergeschikte planeet van een bepaald zonnestelsel, enz. Zoodra het begrip zich op deze nieuwe waarheid concentreerde was zij sterk genoeg het dogma van den tijd totaal te verscheuren.
      Er was ’n nieuwe levensafmeting bereikt en na veel beroering op geestelijk- en materieel gebied vormde zich het bewustzijn naar de empirie der realiteit. De liefde voor de wetenschap nam toe. Er ontstond ’n kritisch inzicht betreffende uitheemsche (Grieksche) letteren en kunst. In ’t kort: er wordt ruimte veroverd op elk gebied.


VI.


      Terecht noemt Eugène Delacroix de Gothische kunst de naïve kunst, de renaissancistische het embryo van alle moderne kunstbestrevingen. Wanneer we dan ook de menschheid in haar bewustwordingsontwikkeling volgen dan vinden wij het wezen der Renaissance geprojecteerd in de Fransche Revolutie; het wezen der Fransche revolutie in de toekomstige democratiseering van Europa en zoo vervolgens.
      Elk dezer acties en reacties wordt, zoowel innerlijk – naar het wezen – als uiterlijk naar den vorm, gerealiseerd in de kunst. ’t Bewustzijn eischt een meer bepaalde uitdrukking. Deze meer bepaalde uitdrukking is de plastiek, die lijnrecht staat tegenover de onbepaalde uitdrukking van de verbeelding, de mystiek.
      Hier hebben wij twee begrippen die het essentieel verschil tusschen de renaissance en de gothiek duidelijk bepalen.


      Zoo staat aan het begin der renaissance Dante met zijn forsche woordplastiek als de openaar van een nieuw levenstijdperk.
      Zoo staat in het centrum Michelagniolo met zijn plastische formuleering van het renaissance-bewustzijn. En tusschen deze beide in Savonerola.


(Wordt vervolgd.)


      Leiden, September–October.