Theo van Doesburg/Grootmeesters der Beeldende Kunst/6

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Grootmeesters der Beeldende Kunst [6]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 8 december 1917
Titel Grootmeesters der Beeldende Kunst
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [8], 392, 150-151
Eenheid no 392 p 150 column 02.jpg Eenheid no 392 p 150 column 03.jpg
Opmerkingen Vervolg op Grootmeesters der Beeldende Kunst [5]; Michelangelo Buonarroti vermeld als Michel Agniolo, Leonardo da Vinci als Da Vinci, Rafaël Santi als Rafaël, Dante Alighieri als Dante, Girolamo Savonarola als Savonerola
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

[150]


[...]


Grootmeesters der Beeldende Kunst.


II.


DE RENAISSANCE


(Michel Agniolo – Da Vinci – Rafaël.)


Een studie door


THEO VAN DOESBURG.


VII.


Genie is het samentreffen van uitersten.


      Wanneer één tijdperk het genie tot ontwikkeling kon brengen dan was het dàt tijdvak, in de ontwikkeling van het (menschelijk) bewustzijn, dat we gewend zijn met „Renaissance” aan te duiden. Voornamelijk in Italië waar zich het centrum vormde, – evenals in de twintigste eeuw het Futurisme, – van artistieke en wetenschappelijke intelligentie.


      De Renaissance. Dat beteekent: de geest richt zich op de wereld. Het levensbeeld neemt reeële vormen aan. De levensaandacht concentreert zich op de natuurlijke levensconstructie. De levensverhoudingen beginnen zich uit den twijfel der na-gothiek tot een naturalistisch bewustzijn te ontwikkelen.
      De Renaissance. Dat is: de vernietiging der waanverhoudingen. De ontwikkeling van de persoonlijke wil. De macht van de uitdrukking. De Plastiek.
      Uit de toenemende kennis ontkiemt de liefde tot de natuur. Uit de liefde tot de natuur: de liefde tot het natuurlijk rhythme. Uit de liefde tot het natuurlijke rhythme ’t gevoel van verwantschap met ’t lyrisch levensbesef der Helleenen. Hellas in Rome. De intocht van de pan-psychistische levensopvatting in Italië.


      In deze levensopvatting werd de essentieele verwantschap gevoeld met ’t Helleensche schoonheidsbesef. Dit was voor het geheele mechanisme van het nieuwe geestesleven der renaissance van de grootste beteekenis omdat zich hieruit een physio-plastische kunst ontwikkelde die lijnrecht stond tegenover de mystische ideo- plastische der Gothiek.
      Reeds in de ontzagwekkende woordsilhouetten van Dante voorvoelen wij de reeële (physio)-plastiek van Michel Agniolo Buonarroti, maar ook, juist door het realiteitsbesef.... het Barok.


VIII.


      Dante was de voorbereider van een nieuwe geestelijke kultuur, die eerst in Giordano Bruno tot volledige uitdrukking komt. Deze laatste, in wiens geesteshouding de renaissancekultuur geheel tot zelfverwezenlijking komt, vestigde een zoo groote stelligheid van het geestelijk (zelf)bewustzijn in den mensch als individu, dat zijn fragmentarische nalatenschap zelfs voor de meest moderne kultuur-bestrevingen een solide, potentieele basis vormen.
      Het heete levensverlangen, dat in den renaissancistischen mensch spookte en zich plastisch uitdrukt in de „Mozes” (Rome, St. Pietro in Vincoli) van Mi-


[151]


chel Angiolo werd getemperd door den bizonderen, gewijden invloed, door het gebaar van „generzijds” van Savonerola.


      Het leven en heengaan van deze mystische figuur is van de grootste beteekenis geweest voor het werk en de levenshouding van Michel Agniolo. Waar in dezen, die de typische uitdrukking van het renaissance-bewustzijn was, het „zelfbewustzijn” tot „hoogvaardij” steeg (zie „Mozes”) was het Savonerola die op religieuze grondslagen het betrekkelijke van het menschelijk vermogen deed gevoelen.


IX.


      De Renaissance is de doorgang van den Mensch naar het groote en heilige bewustzijn van eigen kracht. Het tijdperk waarin „Het Koninkrijk Gods is binnen in u”, niet bleef „woord” maar „daad” werd. Het tijdvak in de menschelijke ontwikkeling, waarin de mensch door de kracht van den natuurlijken wil, door verovering van nieuwe levensruimten protest aanteekent tegen elke objectieve geestelijkheid; het tijdvak waarin de mensch van ondergeschikt individu, zelf de typische drager wordt van het geestelijk vermogen. Het moment: waarop hij tot de erkenning komt: niet hij is ’n voortbrengsel van ’n god buiten zich, maar hij is, – of moet zijn, – het kosmisch product dat god in zich bewust wordt.
      Het spreekt van zelf, waar een zoo sterke verschuiving van het objectieve naar het subjectieve plaats heeft, de mensch aan elk knellend dwangmiddel tracht te ontkomen. Het kan niet anders. De bewust geworden geest zal de realiteit van zichzelf beseffend elke knellende band, ook al verschijnt deze in gewijden schijn als godsdienstig dogma, van zich afscheuren, omdat zij hem ten eenenmale verhindert zich te verwezenlijken: d. i. zich te vergeestelijken.


      De doortocht naar deze zelfverwezenlijking, naar het werkelijke „zijn”, naar de heiligverklaring van het bewustzijn was de Renaissance.


X.


      Hiermede gaat onze veel bewogen eeuw parallel, alleen met dit verschil dat de schok feller is, omdat de vaart in op- en voorwaartsche richting zooveel sneller is.
      Reeds eerder noemde ik daarom deze eeuw neo-renaissancistisch. Opnieuw is de mensch opgestaan. Opnieuw heeft hij de knellende banden van het verleden (denk aan Lazarus) verscheurd. Gewekt door den geest van „generzijds” heeft hij zich opnieuw boven den dood verheven en een gevoel van geestelijk heroisme drijft hem om boven de waanverhoudingen der tegenstellingen uit te komen. Het is thans niet psychisch-intuïtief (middeleeuwen) dat hij het volstrekte zijn wil kennen; maar redelijk-bewust en in meest bepaalden vorm. Niet door zelfverzaking geraakt ge tot zelfverwezenlijking. Gij raakt door „zelf-te-zijn” daartoe. En zelf zijn is bewustzijn.
      Dat dit besef ook in de renaissance aanwezig was zullen we aanstonds bij de bestudeering van hare kunst zien.


      Leiden, October 1917.


(Wordt vervolgd.)