Theo van Doesburg/Kunstenaar en publiek

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Kunstenaar en publiek
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 14 augustus 1915
Titel Kunstenaar en publiek. ’n Kleine, oude historie.
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [6], 271, [1]
Eenheid no 271 article 01.jpg
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

KUNSTENAAR EN PUBLIEK.


’n Kleine, oude historie.


door


THEO VAN DOESBURG.


I. (snel).


      De Dichter. –
Hij tuurt door het venster. De daken; de huizen; hij ziet ze niet. Hij gloeit. Hij arbeidt. Hij lijdt.
      Groote vellen papier liggen op z’n kleine tafel.
      De beschreven en doorkraste vellen; dàt veroorzaakt zijn lijden.
      Schrijft hij? Hij schrijft. Wat schrijft hij? Geest schrijft hij en dat doet hem zoo lijden.
      Het lijden drukt zich uit op z’n gelaat; rimpelwrongen; lijnen; hoeken; holten.
      Dit lijden drukt zich uit in zijn haar. ’t Is droog en verward. Dit lijden drukt zich uit in z’n handen, zij zijn als klauwen, die iets willen grijpen en vasthouden. Dit lijden, – dat het lijden van het scheppen is, het moederleed, – drukt zich uit in zijn geheele lijf. Wat gaat z’n ademhaling zwaar en onregelmatig.
      Let ook op z’n beenen. Wat bewegen z’n beenen. Hoeveel hoeken teekenen zij in één oogenblik.
      Soms staat hij op. Neemt een blad papier mee – en keert weer terug, onbevredigd aan zijn kleine tafel met z’n grooten schat in zijn lichaam.
      De vrucht zit diep. Instrumenten! ’t Is die ziel, die er uit moet. En dat gaat niet gemakkelijk. Dat gaat niet zonder pijn.
      Die moeilijk en met pijnen schept – hij kan gelooven, dat hij waarheid voortbrengt. Want de ziel dat is de waarheid en de ziel zit diep. O! zoo diep. Zonder ziel kan men als met stoom werken ... ieder jaar ’n bibliotheek. Mèt ziel voetje voor ... voetje ... om ’t uur één lepel. Verstaat ge, één zin.
      Eén hoofdstuk in ’n jaar, – ’n jaar denken, wikken en wegen, beven, krampen, – een jaar lijden voor één hoofdstuk waarheid.


      ’t Is duur. Maar kunst is duur. Die wordt samengesteld uit leed; bloed; tranen ...


      Dat wist de Dichter wel, maar hij dacht er niet aan – hij bracht haar voort.
      Hij waagde zich. Hij dééd ’t. Hij begaf zich in dat vreeselijke kraambed; vrijwillig; in volslagen eenzaamheid.
      Na twee uren van weeën begon het te komen.
      Het Vers ontstond.
      Hij gaf zich in volle liefde aan het woord.
      Het begon te juichen in hem. Zijn lijden werd enthusiasme – zijn enthusiasme werd vreugde.
      Daar lag zijn „zien” tot woord geworden op ’n velletje papier van ’n vierkante decimeter.
      Zijn wangen gloeien.
      Zijn physiek herstelde zich na de gewone behoeften.


II (zeer langzaam).


      Het Publiek. –
      In ’n smakeloos – vol interieur zitten eenige dames en heeren, allen met zorg gekleed; gewasschen – met witte boorden en lila dassen – met schoone handen en manchetjes. De Dichter is er ook bij. Misschien zou een dichter hem herkennen. Waaraan? Aan iets – aan niets – aan alles behalve aan z’n jas of das of sokjes... misschien. Ik denk aan z’n oogen, die nog nagloeien van enthusiasme en lijden.
      „Van middag heerlijk gewerkt”, verraadt hij.
      „Ik ook goed gewerkt”, zegt een heer, ben goed tevreden ... mooie partij goed gekocht... wat heb je gemaakt, vraagt de heer beleefdheidshalve aan den dichter.
      Deze pleegt weder verraad. Zegt ’t.
      De avond gaat voorbij met schertsen, lachen, drinken, enfin – de avond gaat voorbij...
      De heer begint zich te vervelen... Wat nu weer?... O, ja. Hij wendt zich tot den Dichter en zegt:
      Lees dat gedichtje ’s voor, zeg”.
      Maar nu pleegt de Dichter geen verraad meer.
      Tilburg, 1915.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, ISBN 90-6868-255-5, p. 642-643.