Theo van Doesburg/Moderne wendingen in het kunstonderwijs/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Moderne wendingen in het kunstonderwijs
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Maart 1919
Titel ‘Moderne wendingen in het kunstonderwijs’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 2, 5, 57-58
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Digital Dada Library
Auteursrecht Publiek domein

[57]

MODERNE WENDINGEN IN HET KUNSTONDERWIJS (VERV. VAN. BLZ. 44).

DOOR THEO VAN DOESBURG.

Com. 7. „Dit breidt zich uit in het verwerken der motieven tot compositie en wordt in de schildertechniek gevoerd tot het begrip van kleurverhouding van ornament en fond als elkaâr veronderstellende tegendeelen der compositie. In alle eenvoud ontwikkelt de leerling compositiebegrip, gevoel voor het vlak en begrip van het redelijk verband van het motief en zijn aesthetische werking. Met schablonen wordt niet gewerkt”.
Wanneer de heer Verkruysen de literatuur betreffende de moderne kunst, waarvanuit hij zijn wending schijnt genomen te hebben, — ik noem in dit verband „De Stijl” en „De Nieuwe Beelding in de schilderkunst”, — wat dieper bestudeerd d. i. hier: aan de praktijk getoetst had, zou hij de daarin ontwikkelde begrippen, die door zijn heele intreerede resonneeren, niet zoo dorreen haspelen. Er is natuurlijk niets op tegen, dat zekere begrippen, die het resultaat zijn eener constante kunstcultus, ten leste den grondslag gaan vormen voor het moderne kunstonderwijs. Vroeg of laat zal dit toch moeten gebeuren en wij zullen het ons dan ook tot een eer rekenen indien wij met werk en woord iets daartoe hebben kunnen bijdragen.


[58]

Waar echter wel op tegen is, is 1e dat deze begrippen worden toegepast om een gansch verouderde, stervende en met die begrippen geheel in strijd zijnde decoratieve styleermethode op de been te houden; 2e dat de nieuwe beeldingsbegrippen meer of minder vaag en verward tot den kunstleerling worden gebracht. Hierdoor wordt de grondslag voor een toekomstige beeldende nijverheidskunst verzwakt.
Het verwerken der (gestyleerde natuur)-motieven tot compositie kan slechts leiden tot compositie volgens de natuur, d. i. op de wijze der vermenigvuldiging. Zonder destructie en „umwertung” van het natuurlijk organische (zie Com. 6) kan geen compositie volgens de kunst, op de wijze der evenwichtige verhouding van de compositorische tegendeelen ontstaan. Dàt is het wat de moderne kunstleerling allereerst te begrijpen heeft. Het is onlogisch dat het „verwerken der motieven tot compositie” in de schildertechniek zou voeren tot het begrip van kleurverhouding. Het eerste heeft betrekking op den vorm, het laatste op de kleur.
Kleurverhouding is een studie op zichzelve, die gescheiden van elk vorm-compositorisch begrip onderwezen kan worden (zie ook W. Ostwald’s „Harmonie der Farben”). Eerst bij de toepassing van vorm, kleur en vlak op de wijze der kunst, dus als consequent doorgevoerde evenwichtige verhouding, als compositie, worden kleur, vorm en vlak als elkaâr veronderstellende beeldingswaarden begrepen.
Welke ware architectuur zal nog „ornament” en „fond” als elkaâr veronderstellende tegendeelen der schilderkunstige compositie, toelaatbaar achten?
Welke ware architectuur zal in hare monumentale conceptie het gepeuter van een afzonderlijk ornamentje op hare wandvlakken dulden?
Stel u de neutrale, strenge en vlakke betonwanden van een modern huis voor en daarop een volgens de natuur gestyleerd ornament naar het recept des heeren Verkruysen! Mis. De kunstleerling zal hebben te begrijpen, dat, sinds het futurisme en kubisme de complementaire verhouding van kleur en fond, van ding en vlak, van voor en achter enz., volgens de kunst, (d. i. door destructie) bewezen, de monumentale oplossing van het schilderen in de architectuur juist berust op het tegenovergestelde van een afzonderlijk aangebrachte versiering n.l. op de beeldende omzetting der constructieve wanden tot één schilderkunstig-organisch geheel. Slechts door het bijbrengen van de wezenlijke beteekenis van futurisme en kubisme en de consequente ontwikkeling dezer overgangsstadia naar een nieuwe stijleenheid zal de kunststudent naar zijn krachten kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van deze laatste.

(Wordt voortgezet).