Theo van Doesburg/Nog eens 'n "Ode aan de Dieren"

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nog eens ’n „Ode aan de Dieren”
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 28 november 1914
Titel Ingezonden. Nog eens ’n „Ode aan de Dieren”.
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [5], 234, [3]
Eenheid no 234 article 01 column 01.jpg
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

INGEZONDEN.


Nog eens ’n „Ode aan de Dieren.”


„Gij zult niet dooden.”
„Zalig zijn de armen van geest.”


Jezus Christus. (1).


      Wellicht heeft op niemand de Europeesche oorlog sterkeren indruk gemaakt dan op mij. Midden in de heiligste verwachtingen van ’n nieuwe, denkende menschheid en aan ’n grootsche toekomst voor Leven, Kunst en Kultuur, rukte zich toch dit wilde beest van zijn ketting, waaraan het al zoovele jaren getrokken had, los.
      En zie, het holde vrij door de wereld. Ja, het holt nog en het zal niet eerder stilstaan, voor het alles vertrapt heeft.
      En wij liggen hier aan de grenzen op de loer, om te zien waarheen het draven zal.
      Wij kunnen de vreeselijke dreunende geluiden, die het monster uitbraakt hooren, dag en nacht.
      Wie brengt deze geluiden voort? Is het ’n horde wilde zwijnen? Zijn het jakhalzen; zijn het wolven, die uitgehongerd brullen om voeder?
      Neen. Het zijn geen wilde zwijnen, noch jakhalzen, noch uitgehongerde wolven. Het zijn menschen, goed gevoed, goed gekleed, sterke jonge kerels, die deze geluiden verwekken uit de koperen kelen van het veelmondig oorlogsinstrument. Het is ten slotte de gedachte, welke wij hooren. Het is de denkende mensch, die spreekt, nadat hen twintig eeuwen geleden gezegd is: „Gij zult niet dooden.”
      Want bleef het slechts bij deze de aarde doordreunende en schokkende geluiden, maar bij elk geluid, bij elke schok spatten lichaamsdeelen en ingewanden hemelhoog. Het zijn de lichaamsdeelen, het zijn de ingewanden, het is het hart, het zijn de hersenen van onze broeders aan de „Overzij.”
      Geef mij dan liever de honden, de leeuwen, de tijgers, de hyena’s. Zij, armen van geest volgen slechts hunne natuur en zijn daarom rein, zijn daarom zalig. Zij zijn onschuldig. Zij hebben niets boven hunne natuur te plaatsen om deze natuur te veredelen.
      Maar de mensch is schuldig.
      „Hij heeft iets boven de natuur: de Gedachte, en waar hij de Gedachte – dit vruchtbeginsel tot ’n hooger wezen – niet aanwendt tot verhooging der natuur tot vergeestelijking der hartstochten, maar integendeel tot verlaging der natuur en tot opwekking der laagste hartstochten, daar plaatst hij zichzelf beneden het dier.”
      En dat hij aldus gekozen heeft, dat hij deze beneden-dierlijke plaats vrijwillig gekozen heeft, dat bewijst deze oorlog.
      Wij kunnen ’n kreet uiten; wij kunnen elkander aanroepen; wij kunnen met de handen omhoog om den mensch smeeken; wij kunnen bidden; wij kunnen den bijbel of theosofische geschriften lezen; wij kunnen vredespaleizen stichten; wij kunnen tractaatjes uitdeelen, maar wij kunnen niets veranderen aan de werkelijkheid.
      De Europeesche oorlog heeft mij moreel geknakt, heeft twijfel aan mijzelf, aan alltn en alles in mij verwekt. Wel zijn mijne ledematen en ingewanden nog netjes mij elkaar, maar de granaat, die in mijn brein viel, vernielde meer en was veel pijnlijker dan ’n stuk geschut uit ’n 42 c. M. kanon vernielen kan.
      Daar werd mij verleden week het nummer van „Eenheid” opgezonden, waarin een lied van den mensch Feis voorkwam. De tranen, die ik drie maanden had teruggedrongen vloeiden door dit lied. Behalve de litteratuur, de heerlijke lyrische satire, getuigt het van diepe menschelijkheid en dóórzicht der werkelijkheid. Het is juist de ontstellende kennis der werkelijkheid, die in dit lied tot uitdrukking komt en haar hoogtepunt bereikt is het „Mijn God, laat mij gelijk worden aan mijn broeders, evolueer mij tot dier. Ik bid u maak mijn ooren lang... geef mij ’n staart.” Daar is de gevoeligheid tot lied geworden!
      Met innigen dank heb ik dit lied gelezen en vóórgelezen aan m’n intellectueele kameraden.
      Zing, o mensch, zing door. Zing altijd luider! Zing luider dan het kanon!
      Zou de heer Reepmaker nu waarlijk meenen, dat iemand, die zoo de toppen beklimmen durft, bang is voor de laagten?
      Zou de heer Reepmaker werkelijk meenen, dat iemand, die dàt zóó zingt, niet weet dat in theorie de mensch boven het dier staat? Kom, wees nu toch verstandig. Er zijn altijd menschen, die voor de werkelijkheid de oogen sluiten en zich in slaap wiegen met ’n valsch optimisme. (Wanneer zullen we eindelijk die droomen eens laten varen?)
      Laat hij vrij meenen, dat hij tot die Goden (waarvan Christus volstrekt niet sprak) behoort, wij zullen tevreden zijn, wanneer wij mogen evolueeren tot reine onschuldige dieren.


THEO VAN DOESBURG.


      Alphen, (N.-B.)
(Ned.-Belgische grens.)


——————
      (1) Jezus Christus, moet twintig eeuwen geleden geleefd hebben en leerde de menschen dat zij elkander moesten behandelen, zooals zij zelf behandeld zouden willen worden. Zijn voornaamste spreuk was: „Gij zult niet dooden.” Zijn leer is echter zonder gevolg gebleven.