Theo van Doesburg/Over beeldhouwkunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Over beeldhouwkunst
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 18 november 1916
Titel Over beeldhouwkunst
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [7], 337, [3]
Eenheid no 337 article 01 column 1.jpg
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

OVER BEELDHOUWKUNST,


door


THEO VAN DOESBURG.


      Naar aanleiding van een tentoonstelling van beeldhouwwerken in het Kunstnijverheidsmuseum te Haarlem.


      In tegenstelling met de schilderkunst vindt de beeldhouwkunst in Holland ook weinig goede werklieden. Door geringe aanmoediging bleef het bij academisch-dogmatische producten, aan welke het begrip van universeele ruimte vreemd is. De beeldhouwkunst toch is voor alles ruimtekunst en een goede beeldhouwkunst moet op de meest eenvoudige voorstellingen van de ruimte gebaseerd zijn. Elke vorm moet een schema van dit ruimtebegrip zijn. Hierin komt zij met de bouwkunst overeen en het is daarom, dat zij van oudsher bestemd waren gemeenschappelijk op te treden. De een behoeft daarom niet ondergeschikt aan de ander te zijn; zij moeten te zamen één gevoelen belichamen, evenals dat het geval was tijdens de gothiek.
      Het is thans een ander gevoelen, waarin de werklieden moeten overeenstemmen. Zij moeten in, laat ik zeggen, het bewustzijn van het monumentaal aesthetisch vereenigd zijn.
      Voor de kunst in het algemeen is het aesthetische in den diepste zin het eenige ware. Daarin lossen zich de religieuze en ethische gevoelens op. Een geestelijke gemeenschap, als hier door mij bedoeld, kwam nog niet tot stand. Niet in het groot en niet in het klein. Wij moeten tevreden zijn, dat zich een algemeen stijlbewustzijn doelgericht aan het ontwikkelen is. Vele kunstenaars vonden elkaar in elkaars arbeid en het besef „waarom gaat het” verscherpte zich hierdoor na elke tentoonstelling. Op zeer kleine sc[h]a[al] en onder zeer bepaalde voorwaarden kunnen wij dit op de tentoonstelling in het Kunstnijverheidsmuseum waarnemen.
      Sinds Mendes da Costa – als reactie op het realistisch impressionisme – zijn verstrakte beeldjes schiep, sinds Archipenko zijn wonderbaarlijke beeldjes als uit de Ruimte sneed, sinds Daniël Rossini een symphonie van gekleurde vormen in diezelfde ruimte stollen deed groeide het besef en verhelderde zich het bewustzijn betreffende een zeer positieve rhythmische beeldbouwkunst, meer en meer. Ook zeer goede Hollanders brachten hiervan het bewijs: Raedecker en Hildo Krop. Het speet mij, dat dezen hier niet vertegenwoordigd waren, hoewel ik de weerklank van hun werk terugvind in de decoratieve symbolisch-verstrakte beeldhouwwerken voor het Zeevaarthuis van Van den Einde.
      Nog beter dan deze en meer in de richting van den stijlaangever Archipenko is het werk van B. J. Richters. Vooral 56 (Devotie) en 56, beide uit zwart ebbenhout en ruimte gesneden. Ook Altorf, die Mendes da Costa bewonderde, van dezen uitging wellicht, geeft in zijn „Mozes” ’n voornamen bloei van strakke vormen. Lijnrecht in tegenstelling hiermee is de inzending van Mej. Thérèse van Hall. Droevig materialistisch maakwerk, waaraan het eerste begrip der beeldende kunst: het begrip der universeele ruimte en haar demensies, totaal ontbreekt. Tusschen de eerst- en laatstgenoemden in ligt het werk van T. van Reyn. Het is minder ontstaan, dan van Richters, meer gemaakt.


      Ook zijn er enkele schilderijen en teekeningen van Da Miranda, die, blijkens het geëxposeerde, het Japansche recept getrouw heeft ingenomen.


      Haarlem, 28-10-’16.