Theo van Doesburg/Over moderne kunst/1

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Over moderne kunst [1]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 23 november 1912
Titel ‘Over moderne kunst. Naar aanleiding van tentoongestelde werken door de „Moderne Kunstkring”, in het Stedelijk Museum te Amsterdam’
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [3], 129, z.p.
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein
OVER MODERNE KUNST.

                                                      

      Naar aanleiding van de tentoongestelde werken door de „Moderne Kunstkring”, in het Stedelijk Museum te Amsterdam 1912.

      Toen de Kunst haar innerlijke kracht verloor en van het inwendige — 's menschen diepste gevoelens, d.i. het religieus bewustzijn — overging naar de uitbeelding der uiterlijke vormen, het begrip dus verwaarloosd werd voor het beeld, was zij reeds op weg, tijdens de z.g.n. renaissance, om tenslotte te verstijven in een grillig soort van handwerk en van Kunst over te gaan in wetenschap. Want wij kunnen het niet luid genoeg herhalen dat inderdaad romantisme, impressionisme, neo-impressionisme, luminisme — uitgevonderd enkele oplevingen van echte kunst — poitillié en de rest. wetenschappelijke verstijvingen van kunst zijn. Eenmaal ontaard in vormendienst gaat tenslotte — evenals op religieus gebied — het begrip van Kunst geheel verloren. Waar de kunstenaars van voorheen in het algemeen gevoel der menschheid, d.i. het religieus gevoel (of nog juister het antwoord op de vragen „Wat ben ik?” en „Hoe moet ik leven?”) een bindend vermogen hadden; daar werden zij, toen zij met dit geestelijk vermogen braken, in den waren zin bandeloos. Zich vrij hebbende gemaakt van het begrip, werden zij slaven van het beeld. Het is deze bandeloosheid, het is deze slaafsche dienst van het beeld, die in de beeldende kunst haar toppunt bereikt heeft.
      De verschuiving van het begrip naar het beeld, van de geestelijke wereld naar de zinnelijke wereld was een noodwendig gevolg van het eeuwenoude uitgangspunt der kunst, n.l. de Schoonheid. Op dezen grondslag geeft de kunst alle ontwikkelingsfasen doorloopen. Onrijp bij de Aegyptenaren, werd zij rijp geestelijk rijp, bij de Hellenen; zinnelijk rijp in de renaissance tot zij ten slotte in de 19e eeuw 1) overrijp werd, maar nog altijd „genietbaar”. In dezen tijd is zij verrot en daarom „ongenietbaar”. Dit kon niet anders, want schoonheid leidt tot genot, genot leidt tot verzadiging en in deze lijn liggen als uitkomt: over-verzadiging en verval. Hierin is de historisch-juiste ontwikkeling van de Helleensche en Romaansche schoonheidskunst vervat.
      Bijna alle schrijvers over kunst — om er maar eenige te noemen: Kralik, Baumgarter, Hartmann, Lessing, Herder, Taine, Winckelmann, enz., en ten onzent: Hemsterhuijs, Bilderdijk, Simon Gorter, Alberdingk Thijm, Querido, de Meester, enz. — hebben als uitgangspunt, hetzij beperkt of uitgebreid, de Schoonheid genomen. Voor de meeste dezer schrijvers was haar werking „genot”. Professor Kralik gaat zelfs zoo ver, dat hij voor elk zintuig een kunst-vorm uitvindt. Voor de smaak b.v. de kookkunt. In zijn „Weltschönheit” zegt hij ongeveer: „Het is zeker een aesthetische daad, om uit een dierlijk kadaver een in alle opzichten smaakvol voorwerp te maken”. Ja wie weet hoeveel miskende genieën er nog onder de koks en koekebakkers rondloopen. Dergelijke ideeën komen voort uit de begripsverwarring van „genot” met „geluk”.
      De kunst moet in haar hoogste openbaring niet het genot beoogen, maar het algemeen geluk. Zij moet ophouden een luxe product, d.i. een overdaad te zijn, doch zij moet een levensbehoefte zijn en wel een geestelijke levensbehoefte, zooals brood en kleeding lichaam'lijke levensbehoeften zijn. Zij zal dit nimmer worden op den ouden grondslag: Schoonheid. Ten eerste niet, omdat hetgeen de vele begrippen omtrent Schoonheid bewijzen, schoonheid aan persoonlijken smaak onderhevig is en elk tijdperk weder een ander begrip omtrent Schoonheid medebrengt en de menschen dus eerder scheidt dan bindt. Ten tweede, en voornamelijk, niet omdat Schoonheid volstrekt geen eerste levensbehoefte is. Zij kan dit alleen worden wanneer zij in plaats van de „Schoonheid” uitgaat van de „algeheele Liefde”. Ten eerste omdat Liefde een allereerste levensbehoefte is, van de moeder tot het kind, van het kind tot den mensch, van den mensch tot de menschheid, van de menschheid tot God of het Heelal of hoe men het begrip „God” ook verstaan wil. Ten tweede, en voornamelijk, omdat de werking der Liefde voor mensch en dier gelijk is en daarom een bindend of religieus vermogen bezit. Voorwaar, het is gemakkelijker de Kunst van Schoonheid te laten uitgaan dan van Algeheele Liefde, omdat Schoonheid alleen de kunstenaar eischt, Liefde den geheele mensch. Een kunstenaar zou een misdadiger kunnen zijn en toch een werk kunnen voortbrengen dat binnen gelaten kan worden tot een der begrippen van Schoonheid, maar van een dergelijk kunstenaar kan nooit een, den geheelen mensch eischend, werk komen dat tot grondslag heeft de Algeheele Liefde.
      Liefde is een Wet. De Wet. En die de wet schendt, hij schendt zichzelf. De kunst in de toekomst heeft de uitdrukking te zijn van die „Wet”. Hoe uitgebreider die wet begrepen wordt, hoe omvattender en hooger staat die Kunst.
      Die wilde, dit uit een ruwe homp steen zich een gedaante schiep en als zijn god aanbad, hij gaf, hoe ellendig en gebrekkig ook, uitdrukking aan die wet. Liefde geven dreef hem tot het houwen van dit beeld. Het beeld was hem slechts een middel om andere wilden door die wet te vereenigen. Zijn daad was religieus (religare = binden, vereenigen). Belach hem niet, want inderdaad lag bij hem de oergrond van alle Kunsten en Religies, n.l.: die Wet uitdrukken door middel van een Beeld, om door middel van dat Beeld als de zichtbaarwording van de Wet, de menschen te verbinden.
      Wij zijn het barbarisme ontgroeid, wij zijn gelouters door de rede en het gezonde verstand. Het instinct heeft plaats gemaakt voor het gezonde denkvermogen. De rede en het gezonde denkvermogen hebben het hunne gedaan om de Kunst een beteren vorm te geven dan het onbehouwen beeld, daardoor zijn wij in staat onze diepste gevoelens een monumentalen vorm te geven. Welaan, wij eischen van de moderne Kunst dat zij onze diepste gevoelens zichtbaar maakt in een klaren monumentalen vorm. Doch dat doet zij niet. De Fauconnier, de Picasso's brengen ons weder 't onbehouwen beeld der wilden, doch zonder gevoels-diepte. Wat maling of we onbehouwen beelden krijgen, wanneer er nieuwe gevoelens aan ten grondslag liggen. Maar daar is hier geen kwestie van. Wilde sensaties, dierlijke schrikeffecten of wetschappelijke beuzelarij, ziedaar de uitgangspunten der moderne kunst.
      Eenmaal levende in dit delirium van den geest, missen zij de kracht en de innerlijke energie om een eigen weg uit dien doolhof te vinden. Geraakt buiten het evenwicht, dat de Kunst eischt, eten zij in een vreemden tuin, die zij wellicht „Schoonheid” noemen de rotte appels, die hunne voorgangers hebben laten liggen, uit elkaars hand en smijten de toeschouwers die restjes in 't gezicht.
      Zij wanen zich miskend en wachten tot men aan hen... „gewend” is, zooals men aan een benauwde atmosfeer zou wennen, doch ten slotte zal men den invloed van die benauwde atmosfeer aan den lijve voelen. Neen. De kunst heeft een innerlijke kracht noodig: een ziel. De kunst heeft frissche lucht noodig. De kunst heeft noodig een grondslag ruim en diep, waarin zij diep wortel schieten kan en waarop zij groeien en bloeien kan den hemel van den geest in.
      Amsterdam 1912.

THEO VAN DOESBURG.

——————
      1) Met uitzondering van enkele kunstenaars, die „Schoonheid” als uitgangspunt verwierpen en als Bastien Lepage „Waarheid” of als Millet en Daumier „Karakteristiek” tot grondslag namen.