De Stijl/Jaargang 5/Nummer 9/Rondblik

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Rondblik

Auteur [Theo van Doesburg]
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Datering September 1922
Bron De Stijl. [deel] 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968. Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1968, pp. 267-269.
Auteursrecht Publiek domein

[138]

[....]

RONDBLIK

In „L’Esprit Nouveau“ No. 17 komt een zeer goed artikel voor over de ontwikkeling der rechte lijn in de stedencultuur: „Le chemin des ânes et le chemin des Hommes.“ Het getuigt van inconsequentie dat achter dit artikel een artikel is afgedrukt „Le Talent“, waarin „la ligne courbe“ en „die grüne Welt“ (Malewitsch) even zoo enthousiastisch verdedigd worden.
Uit het artikel „Le chemin des ânes et le chemin des Hommes“ door Le Corbusier-Saugnier (Ozenfant) citeeren wij het volgende.
„Or une ville moderne vit de droite, pratiquement: construction des immeubles, des égouts, des canalisations, des chaussées, des trottoirs, etc. La circulation exige la droite. La droite est saine aussi à l’âme des villes. La courbe est ruineuse, difficile et dangereuse; elle paralyse.
La droite est dans toute l’histoire humaine, dans toute intention humaine, dans tout acte humain.

Il faut avoir le courage de regarder avec admiration les villes rectilignes de l’Amérique. Le moraliste peut s’y attarder plus longtemps qu’il ne paraît d’abord.

Les Commissions qui veillent à la bonne reconstruction du Nord et dont le but est de provoquer la création de cités modèles, croient à la supériorité de la courbe! Et pourtant, le Nord aurait pu devenir la grande cité claire de l’Occident!

La rue courbe est le chemin des ânes, la rue droite le chemin des hommes.
La rue courbe est l’effet du bon plaisir, de la nonchalance, du relâchement, de la décontraction, de l’animalité.
La droite est une réaction, une action, un agissement, l’effet d’une domination sur soi. Elle est morale et noble.
Une ville est un centre de vie et de travail intenses.
Un peuple, une société, une ville nonchalants, qui se relâchent et se décontractent, sont vite dissipés, vaincus, absorbés par un peuple, une société qui agissent et se dominent.
C’est ainsi que meurent des villes et que les hégémoines se déplacent.“

138


[139]

Wanneer de heeren Ozenfant en Jeanneret de consequenties hiervan in de praktijk getrokken zullen hebben, zullen ze het werkelijk nieuwe daarmede een stap verder brengen.

SECESSION

instigated at Paris, opens fire this spring at Vienna, will march on Berlin, and eventually establish itself in New York. Secession is an organ for the youngest generation of American writers who are moving away from the main body of intelligent writing in the United States since 1910. They are defining a new position from which to assault the last decade and to launch the next. „Form, simplification, strangeness, respect for literature as an art with traditions, abstractness ... these are the catchwords that are repeated most often among the younger writers.“ — Malcolm Cowley. Secession aims to be the first gun for this youngest generation. It will publish stories, poems, criticism, insults and vituperations by Slater Brown, Kenneth Burke, Donald B. Clark, Malcolm Cowley, Hart Crane, E. E. Cummings, Matthew Josephson, Marianne Moore, Wallace Stevens, and by a certain allied Frenchmen, Guillaume Apollinaire, Louis Aragon, André Breton, Paul Eluard, Philippe Soupault and Tristan Tzara. It will, in its early numbers, expose the private correspondence, hidden sins and secret history of its American contemporaries, The Dial, Little Review, Broom, Poetry, et cetera. It already notes in current literature very much that demands hilarious comment.

DIE DEUTSCHE GEWERBESCHAU IN MÜNCHEN

[Auteursrechterlijk beschermd]

139


[140]

[Auteursrechterlijk beschermd]

Hans Vogel

[...]

140


[141]

DE CONSEQUENTIE VAN DE PEN DE DE TEEKENHAAK

Als gevolg van een in het populaire weekblad „De Bouwwereld“ afgedrukte lezing des heeren Jan Gratema, waarin de heer J. J. P. Oud werd voorgesteld als voorganger der kubisten in de bouwkunst (en dat nog wel op een oogenblik dat de heer Oud, om zeer bedenkelijke redenen, een propaganda begon voor de, destijds door hem zoo gehoonde duitsch-expressionistische architectuurmarmelade [men zie zijn fraai geillustreerde artikel in het Bouwk. Weekblad, no. 43]) werd ik verplicht in een kort artikel Oud’s ware plaats in de moderne architectuur aan te duiden. Naar aanleiding daarvan repliceerde Oud o.a. met de bewering dat hij geen Stijlopvattingen aanhing, maar dat de denkbeelden welke hij over bouwkunst in „De Stijl“ ontwikkelde, met wat anderen in het midden brachten (sic !) tot stijlopvattingen werden. De redactie sloot het debat met de bewering dat ik mij vergiste, hetgeen aanleiding werd tot onderstaande notitie, welke door willekeurigheid der redactie gecastreerd werd. We publiceeren het hier, met kleine wijzigingen in détails (daar het origineel niet werd teruggestuurd) in zijn geheel.

TERECHTWIJZINGEN

                                                      

Naar aanleiding van J. J. P. Oud’s „Bouwkunst en kubisme“ Bouwwereld No. 32

Geachte Redacteur!

Het schijnt uw gewoonte te zijn bij wijze van afsluiting der artikelen uwer medewerkers hoopjes achter laten.
ik gun U deze bezigheid van ganscher harte — mits niet ten koste der waarheid.
Uw krasse, maar weinig gemotiveerde conclussie, dat ik mij (betreffende Oud’s plaats in de moderne bouwkunst) vegist zou hebben, is even onjuist als datgene wat de heer Oud te zijner verdediging aanvoert.
Onder „aktief“ deel uitmaken van een groep moet, toch zeker nog iets meer verstaan worden dan het, vóór twee en een half jaar, openbaar maken (in „De Stijl“) van een neutrale critiek betreffende Italiaansche bouwkunst, of, voor twee jaar, van een ontwerp voor het entrepôt eener fabriek, dat niet werd uitgevoerd. Aktief deelnemen aan een beweging beteekent voor den architekt: bouwen en wel zóó, dat daardoor de consequenties der ideologie van een nieuw „beeldingsbewustzijn“ een feit worden. Slechts daarmede is de vooruitgang der architektuur gediend. Dit nu werd door den heer Oud — uitgezonderd in de Hall van het Vacantiehuis te Noordwijkerhout (1918), hetgeen dus gebouwd werd vóór zijn betrekking aan den gemeentelijken woningdienst te Rotteredam1, — niet gedaan.
Daarentegen wel door andere architekten en met minder zwaarwichtige pretentie dan de heer Oud. Dit nu heb ik naar aan-


1 Voor zoover mij bekend, dateert Oud’s benoeming als „gemeentearchitekt“ eerst omstreeks 1920, dus juist toen hij ook zelfs de consequenties met de pen en de teekenhaak opgaf. You never can tell!

141


[142]

leiding van den heer Gratama’s bewering willen aantoonen. Dat ik mij geenszins vergist heb, toonen niet slechts de feiten, maar eveneens het repliek des heeren Oud waarin hij verzuimt een gebouw te noemen, dat mijn bewering, — die hij met zijn repliek nog versterkt, — wederlegt. Dit doet hij niet — en kan hij ook niet doen. Inplaats hiervan begeeft de heer Oud zich op zijwegen. Zoo beweert hij o. a. „dat hij geen stijl-opvattingen aanhangt of aanhing“, vergetende dat deze „opvattingen“ uit de consequenties door de schilders getrokken, zijn ontstaan en eerst daarna systematisch door architekten als Oud en Hoste zijn overgenomen. Teruggeschrikt voor de consequentie bleven deze „opvattingen“ bij hun slechts theorie.
Als niet voornamelijk schilders ze gerealiseerd hadden, zouden alleen door theorie, de nieuwe beeldingsbeginselen geen richtsnoer geworden zijn voor het jonge beeldende Europa.
Als slot diene nog de opmerking, dat de uitdrukking „Kubisme“ door mij naar aanleiding der bemerking des heeren Gratama werd gebruikt. „De Stijl“ het orgaan der nieuwe beelding, verdedigde het kubisme slechts in tweede instantie — als beweging die aan haar vooraf ging. Van een permanent kubisme is nergens sprake, terwijl Oud’s definitie dezer overgangskunst bewijst, dat hij in de praktijk zelfs aan een provinciaalsch kubisme niet toekwam.
Als zoodanig mislukt, kan het ons dan ook niet verwonderen, dat de architekt Oud het duitsche expressionisme (à la Bruno Taut!) in de armen viel en nu in gezelschap van de heeren Finsterlin, Paul Gösch, Karl Krayl en Jan Gulasch de expressionistische ontucht helpt verbreiden.

Th. v. D.

Binz, Augustus 1922.

[...]

142