Theo van Doesburg/Tentoonstelling H.E. Boot en D. Roggeveen

Uit Wikisource
Ga naar: navigatie, zoeken
Tentoonstelling H.E. Boot en D. Roggeveen
Auteur(s) Th. v. D.
Datum 27 mei 1916
Titel Tentoonstelling H. E. Boot en D. Roggeveen
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [6], 312, [4]
Eenheid no 312 article 01 column 01.jpg
Opmerkingen Henri Frédéric Boot vermeld als H.E. Boot, Johannes Josephus Biesing als J.J. Biesing, Jean-Baptiste Corot als Corot
Brontaal Nederlands
Bron Wikimedia Commons
Auteursrecht Publiek domein

TENTOONSTELLING H. E. BOOT EN D. ROGGEVEEN


J. J. Biesing, Molenstraat 65-67 Den Haag.


      Er is ’n categorie schilders, die boven alles de natuur beminnen en die liefde voor de natuur toonen in brokjes daarvan op schilderlinnen. De liefde voor de natuur is ’n gezonde levensuiting, waaruit een vijftig, zestig jaar geleden een gezonde schildersschool voortkwam; de naturalistisch-impressionistische. Wanneer de mechanica sindsdien niet zoo’n grooten vooruitgang had gemaakt, zou de schoonheid van de cultuur zich niet geopenbaard hebben. Want het dient gezegd: op de natuur volgt de cultuur; op instinct geest, zoodat het cultuurlijke de sublimatie is van het natuurlijke. De kunst die de natuurlijke waarde in begrippelijke (stijl) waarden omzet, begint waar de natuur eindigt.
      De schoonste arabesken hebben een eeuwenlange cultuur in zich; gebaseerd op de nabootsing van dier- en plantvormen, werden zij door deze geestelijke cultus tot stijl.
      Alles wat groot is en stijl, heeft cultuur in zich. Een mensch uit het steentijdperk, die in de een of andere stof een rendier graveerde, staat niet zoo heel ver van een modernen naturalist af – beiden zijn zij aanleidingen tot stijl – doch een stijlvol gebouw bezit eeuwen van geestelijke cultuur in zich.
      Het is eigenaardig, dat in dezen tijd, nu wij zoo van alle kanten omringd zijn door het „cultuurlijke” en dit dagelijks voor het „natuurlijke” vervangen, er twee categorieën van schilders gevonden worden: zij die de natuur dienen en zij die de cultuur dienen.
      Zoo toont H. F. Boot zijn liefde voor het zacht-natuurlijke, vermengd met de gevoeligheid voor schilderkunst en wel voor de specifieke schilderkunst van voorgaande tijdperken: Corot, Thijs Maris en de 17de eeuwsche Gerard Dousche teekenkunst.
      De gevoeligheid voor de eerste toont hij in nr. 13 „Aan de vaart”; voor de tweede in meerdere landschappen en het kopje van een slapend kind; voor de laatste in 21 „De oude lezer”.
      Als meer zelfstandige uiting trof mij een compositie in gebroken blauw: 23 „Japansch brons.” Zeer mooie aquarel.
      Dirk Roggeveen toont zijne liefde voor de natuur en wel voor het min of meer pittoreske, vermengd met de gevoeligheid voor schilderkunst, meer in ruimeren zin in de nrs. 33, „Stilleven met blauwe flesch” en 32 „Stilleven met boschanemonen” (pointille).
      Het is zeer te betreuren dat de ontwikkeling van het individu zeer dikwijls afhankelijk is van zijn maatschappelijke positie. Wanneer de kunstenaar op elk gebied niet met zooveel moeilijkheden te kampen had, zou hij veel sneller tot wasdom komen, want voor den kunstenaar geldt in de eerste plaats het woord van Shakespeare: Rijp zijn is alles.
      Uit de werken van Dirk Roggeveen spreekt een diepe bescheidenheid, gepaard aan een intense liefde, die maar tot vrijheid heeft te komen om zich in de schoonste vormen te uiten. Daarom alleen reeds verdient zijn streven sympathie en aanmoediging onder alle vormen!


Th. v. D.