Eenheid/Nummer 205/Uit den Tempel der Schoonheid

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Uit den Tempel der Schoonheid [2]
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 9 mei 1914
Titel Uit den Tempel der Schoonheid. (Vervolg.) II. Verhaal van den hond.
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [5], 205, [2]
Eenheid no 205 article 01.jpg
Opmerkingen Vervolg op Uit den tempel der schoonheid [1]
Genre(s) Fictie
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

UIT DEN TEMPEL DER SCHOONHEID

door

THEO VAN DOESBURG.

(Vervolg.)

II.

      Dit is een droom. Luister:
      Ik ben in eene zonnige straat. Rechts van mij zijn huizen. Uit een van die huizen komt een hond. Een prachtig beest. Een setter: glanzend bruin met glanzend zwart. Lange harige ooren. De hond komt regelrecht naar mij toe. Hij kwispelstaart en doet zeer nederig. Ik sta stil. Streel hem. Hij likt mij en ziet mij aan met rein-menschelijken blik. Ik voel nu dat ik een manteljas aan heb. De cape is hinderlijk bij ’t bukken; valt mij op de handen...
      Ik ben in eene drukke hoofdstraat. Ik kijk om. De hond. Hij kijkt mij aan met lachende, zalige uitdrukking. „Hij volgt mij. Ik kan hem toch onmogelijk meenemen... als men van beesten houdt, moet men ze nooit bezitten... Men hecht zich aan hen – ze worden ziek – komen onder ’n tram... sterven... en men lijdt.” Deze gedachten gaan duidelijk door mijn hoofd. Ik spring op een tramwagen. Tegelijkertijd bemerkt ik, dat ik een grijs pak aan heb; zonder overjas. „Nu zal de hond mij niet meer kennen,” denk ik. De tram waar ik voorop sta, heeft geen bestuurder. Er staat een bruine bak van ongewonen vorm. Ik kruip er in. Ik zie mij zelf er in liggen. De bank is te klein; mijne beenen hanger er buiten. De conducteur komt. Hij toont niet de minste verwondering. Ik neem een kaartje. Alles gaat gewoon. De tram-zonder-bestuurder vliegt door de geasphalteerde straat; vlak langs ’n trottoir. Ik vraag aan den conducteur of hij eens zien wil of er ook een hond naast de wagen loopt. Hij doet ’t. Ik zie hem langs de tram naar buiten kijken. „Ja, zegt hij, er loopt ’n hond. Is die van u?” Dit zegt de controleur tot me. Ik zie zijn lippen bewegen maar hoor geen geluid. Maar meteen zie ik bij de opstap een hondenkop met lange harige ooren; tong uit de bek. Ik krijg eene vermengde aandoening; onuitlegbaar. „Hij volgt me dus,” denk ik en ga binnen zitten. Er zit niemand in de tram. Het kan me echter niet schelen. Ik let er niet op. „De hond... wat te doen?”
      Ik ben niet meer in de tram. Ik sta in een donkere straat. De hond springt tegen mij aan; likt en kwispelt. Niet alleen met zijn staart, maar met zijn heele lijf; zelfs met zijn kop. Ik merk op, dat hij minder mooi is.
      Er is eene advertentie geplaatst. Lui komen den hond zien. Ik ben in een huis uit mijne kinderjaren. Ik sta op den drempel van die kamer. Ik zie den donkeren gang. Hoofden van jongens, die op de advertentie komen verschijnen boven het gat waar de trap is. Nauwelijks heeft ’n groote jongen met een weeshuis-pet op, zijn hoofd boven de gangvloer of hij zegt, weder zonder geluid: „O ’n gewone kees,” tot een jongen die achter hem aan komt, doch welke ik niet zien kan. De jongens komen niet eens hooger de trap op en keeren terug. Ik sta nog altijd op den drempel van de voorkamer en denk: „Hij moet de hond tusschen mijne beenen door in de kamer gezien hebben” (want ik stond met gespreide [bee]nen.) „Een kees... het is heelemaal geen kees,” zeg ik tot mezelf. Ik draai mij om. Ik krijg eene sterke aandoening van schel-wit. Ik kijk in de kamer naar m’n hond. Er staat eene lichte geelbruine keeshond, met zeer puntige ooren voor mij. „Verrek... een kees!”, gil ik (zonder dat ik geluid hoor).
      De keeshond beweegt zich niet. Ik krijg een bovenmenschelijke aandoening. Er is een spiegel tegen den schoorsteen, waarin alles weerkaatst wordt. Ik let voornamelijk op de kees en mij zelf. Ik heb een zwart pak aan dat zeer leelijk en kreukelig zit. Ik ben erg lang, mijn gelaat is uitgerekt en zeer wit. Ik wend mij om: „Wat nu te beginnen?” De blik van den keeshond stelt mij gerust. Het is weder dezelfde rein-menschelijke blik. Hij staat nog altijd stil als wachtte hij op iets. Ik streel hem. Hij is bovenmatig lief. Ik voel dat ik tranen in m'n oogen krijg. „Hoe zal ik hem kwijt,” denk ik. Daarna zie ik de hond van mij wegloopen; hij kruipt onder een stoel. Zijne ooren zijn slap naar achteren.
      Ik ga naar m’n familie. Ik heb de kamerdeur stevig gesloten. Maar mijn familie is reeds op de stoep. Ook weten zij alles van den hond. Ik zeg hen dat het ’n prachtige kees is; ze kunnen hem van mij cadeau krijgen. Ze willen hem zien. Ik bemerk nu dat het allemaal vrouwen zijn m'n familie. Bejaarde dames. Eéne dame, mevrouw G... die wit haar heeft zie ik ’t sterkst.
      Wij zijn in de kamer. Mevrouw G... neemt in ’n zeer lagen gemakkelijken stoel plaats. Zij zegt: „Nou, waar is nou je kees?” Ze roept hem. „Tu... tu... tu... Ik bemerk dat het lang niet meer zoo licht is in de kamer. Ik roep den hond. Ik zie ’n klein zwart-langharig beest verschijnen, ’n monsterachtig beest met kromme pooten. Hij loopt naar de dames, die bij ’t raam zitten toe. Hij loopt langs mij. Ik krijg weer dezelfde bovenmenschelijke aandoening. Daarna krijg ik medelijden met het dier. Het heeft kromme pooten en ’n waggelende gang. Het heeft bij de staart 'n grijze plek.
      „Schurft”... gaat door mijn hoofd.
      Mijne familie lacht het dier uit.
      „Is dat nou ’n keesss... ’n mooie kees...” Mevrouw G... proest het uit. Haar wit haar is gekruld. „Geen echte krullen... nu houdt iedereen me voor een leugenaar...” denk ik. De hond loopt de kamer door naar de suite deuren. Alle dames lachen. De hond wendt zich nu naar rechts dan naar links: expres om zich goed te laten zien. Ik sta op ’t matje bij de deur en kijk toe. Bij de deuren van de suite draait de hond zich om. Als hij langs mij loopt zie ik iets dat onbeschrijfelijk is: het dier komt in trillende beweging. Rekt zich zeer uit. Ik denk: hij moet braken. Zijne haren staan overeind. Pal voor mij zie ik hem van zwart, grijs en van grijs, wit worden. Hij loopt door als fox-terrier, met grijze vlekken bij den kop en de staart. Ik krijg dezelfde aandoening als die welke ik kreeg toen ik voor ’t eerst het sprookje van „Jorinde en Joringel” las. Het gezelschap is verdwenen. Ze vonden hem te leelijk...
      Ik bevind mij nu alleen met mijn hond. Ik zit op den grond in een donkeren hoek van den gang. Ik heb de hond in mijn arm. Hij wil mij likken. Zijn tong, z’n lijf, z’n pooten, dat alles is zeer lomp. Voor mijne voeten staat eene ronde mand, ’n hondemand. Daardoor besluit ik ’t beest te houden.
      Maar ondanks dit besluit ben ik opeens in ’n achterbuurt. Ik heb de hoop hem aan ’t volk kwijt te raken. Mannen liggen uit de ramen te kijken. Ik zie overal hoofden. Ook zie ik blauwe boezeroenen. Zoodra ze mij zien, beginnen ze te vloeken. Ze schelden: „Weg met dat monster.” Er vallen steenen. Ze treffen noch mij, noch mijn hond. Ik kijk achter mij. Het beest loopt er nog altijd en kijkt vol vertrouwen naar mij op. Bij ’n lantaarn sta ik stil. Ik zie geen huizen meer. Een donkere landweg ligt vóór mij. Eén lantaarn tegen 'n zwarte lucht. Het licht der lantaarn is zeer schel. „Wat te doen?” Ik sta stil, kijk achter mij. Het beest is er nog of beter: er is nog een beest, doch het is niet eens meer een hond. Ook is het geen monster; ’t is erger. Het lijkt op ’n stekelvarken en tegelijkertijd op ’n padde. Het lijkt op alles, behalve op ’n hond. Eene rilling gaat langs mijn rug. Het beest kijkt naar mij op; het heeft dezelfde vertrouwende blik. Ik loop door; het loopt door. Ik sta stil, het staat stil. Mijne beenen worden slap; krachteloos. „Ik ben verloren... wat ben ik begonnen... wat is dat beest met mij begonnen.” Dat alles gaat snel door mijn hoofd. Het is dood stil. (De gedachte het monster te dooden kwam niet in mij op). „Ik ben verloren...” denk ik. „Hoe komt dat beest bij mij.” Ik zie geen sterveling. Opeens zet ik ’t op ’n loopen. „Het” holt achter mij aan. Ik hoor duidelijk z’n harde nagels op de steenen rythmisch neerkomen; het is vlak achter mij. Ik zie, in m’n vaart, ’n muur rechts van den weg. Eene lantaarn verlicht hem. De muur is groen-wit. „Achter dien muur is ’t einde der wereld,” denk ik. De muur is ’n herleving voor mij. Ik krijg ’n stout idee. Ik spring tegen den muur op. Het gaat gemakkelijk. Maar voor ik goed en wel op den beelden muurrand ben, is het wonderbaarlijk monster er al. Het gele lantaarlicht maakt het beest zeer plastisch. „Het is een draak... het is ’n draak... zulke beesten bestaan niet... misschien droom ik het maar.” Dat alles denk ik op den muurrand zittend. (De gedachte het te dooden komt maar niet in mij op.)
      Ik geef mij gewonnen. Ik spreek het beest toe, eerst uit angst, later uit de zuiverste liefde. Het streelt zacht mijn been met z’n kogelronden kop. Ik voel het beest veranderen. Ik laat alles stil gaan. Het dier komt dicht bij mij. Ik streel hem over den stekeligen rug. Hij wordt zijdezacht. Ik trek het dier naar mij toe. Het lijkt ’n witte fox. Ik let er niet meer op. Het dier is meer dan schoon. Toch is het geen hond. Wat is het dan? Ik weet het niet. Het kan mij niet schelen. Het is trouw; het is goed. Het likt mij. We zijn tevreden. „Toch ben ik nog niet ver genoeg,” denk ik terwijl ik wakker wordt.
      Ja – droomen zijn symbolen.


(De tweede zang uit „Den Tempel der Schoonheid,” het „Verhaal van den hond.”) (Wordt vervolgd.)

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Els Hoek (redactie; 2000) Theo van Doesburg. Oeuvrecatalogus, Bussum: Uitgeverij Thot, ISBN 90-6868-255-5, pp. 615-616.