Theo van Doesburg/Vincent van Gogh

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vincent van Gogh
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum 12 februari 1916
Titel Vincent van Gogh
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [6], 297, [3]
Eenheid no 297 article 01 column 01.jpg
Opmerkingen Fjodor Dostojevski vermeld als Dostojefsky, Ludwig van Beethoven als Beethoven, Johann Sebastian Bach als Bach, Jean-François Millet als Millet, Léon Augustin Lhermitte als Lhermitte
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

VINCENT VAN GOGH


      Naar aanleiding van een tentoonstelling van diens werk in „Voor de Kunst” te Utrecht.


      Deze tentoonstelling geeft ’n overzicht van een ontwikkeling, – hoewel zeer incompleet, – gedurende vijf jaar. Het meeste dateert uit zijn Brabantschen tijd, gedurende 1883–1886. Het is wel eigenaardig, hoeveel waardeering Vincent’s werk in onzen tijd ondervindt, hetgeen weer een bewijs is voor mijne meermalen herhaalde uitspraak, dat het publiek altijd eenige generaties ten achter is in zijn waardeering voor schilderkunst. Wie bekommerde zich ’n dertig jaar geleden om dien wanhopigen eenzame, die worstelde tegen de objecten en het licht? Wie zag in dien rooien, leelijken, hoekigen en stillen zoeker iets anders dan een „raté”? Ik denk, niemand en wie zich toen om hem bekommerde, beschouwde hem, – uitgezonderd zijn broer, – toch meer met medelijden, inplaats met bewondering. Dat komt, omdat de waanzin de schim is van het genie; men voelt het eerste en miskent het laatste. Doch na verloop van eenige jaren blijkt het voorwerp van ons medelijden opeens een genie te zijn, op wiens werken oude en jonge maniakken opeens aanvliegen als vliegen op ’n suikerpot. Ik vind die bewondering altijd waardeloos. Het bewijst geen kunstbesef in dezen tijd Van Gogh te bewonderen, maar het bewijst, kunstbesef den Van Gogh van dezen tijd te bewonderen.
      Datgene wat Vincent tot een kunstenaar voor alle eeuwen maakte: het eeuwig-menschelijke, dat bloeit, doch in eene andere gestalte, weer op in de Kunst van onzen tijd. Het eeuwig-menschelijke, d. i. tegelijk het eeuwig religieuze, in steeds andere vormen te herkennen, dat is het ware kunstbesef.


      Bij Van Gogh is het eeuwig-menschelijke, – men kan van hem niet spreken zonder dit aan te roeren, – zeer nauw verbonden met de objecten, die hij uitbeeldt. Zijn objecten zijn weer nauw verbonden met zijn coloriet en zoo ontstond ’n geheel, dat in zich zelf harmonisch is.


      Zijn Brabantsche tijd kenmerkt zich door een zeer zwaren toon. Deze domineert in alle werken uit dien tijd. Het is de toon, die wij ook in Dostojefsky’s boeken en in Beethoven’s muziek terug vinden: de toon van het medelijden. Levenstragiek trok hen aan, niet als schoonheid, maar als gods-dienst. Zij waren gods-dienaars, die in een anderen vorm hun groote liefde tot de menschheid toonde. De groote kunstenaar offert zich aan het kruis. Zijn kunst wordt zijn kruis en zoolang dat niet zoo is, zóó lang uw kunst niet uw kruis wordt, zoolang kunt ge de zekerheid hebben, dat ge geen groot kunstenaar zijt. Draag dat kruis met alle kracht, die in u is en eens zal dat kruis u dragen.


      Van Gogh heeft nooit die gewijde Rust mogen bereiken, die gevoeld wordt in Bach’s Preludium’s en in Piet Mondriaan’s laatste wit-en-zwart-kunst. Het licht van Van Gogh is in plaats ’n stil en klaar schijnend, ’n flikkerend licht.


      De werken, waarin Van Gogh tusschen 1883–1886 zijn diepste wezen uitdrukte zijn No. 52, Boeren met kap; 48, Intérieur, waarvan de toonverhoudingscompositie geheel de diepe waarneming bepaalt. Vooral de zwarte vlek in ’t centrum geeft aan het geheel ’n eenheid van suggestieve krachten; 45, Twee handen, is eveneens vol innerlijke werkelijkheid. De toon, die in deze werken domineert, vinden we, hoewel ijler in meerdere kunstenaars van de menschelijke tragiek terug o. a. bij Millet, Honoré Daumier, Lhermitte, enz.
      Er zijn hier van Van Gogh ook eenige werken uit zijn Arles-tijd (1888). Daaraan kunnen we zien, welk een diepen indruk het toen opkomende „luminisme” op hem maakte. Hij begint nu in ’n hoogeren toon te zingen, maar zijn lied is van denzelfden inhoud: de levenstragiek van den zwoegenden mensch op aarde.


      Het akkoord, dat hij aanslaat in zijn Brabantschen tijd kan uitgedrukt worden door de kleuren: zwart–grijs–groen; het akkoord in zijn Arles-tijd door: blauw–geel–rood.


      Prachtig is dit uitgewerkt in no. 63 „Boer met gelen stroohoed”; het beste werkstuk van de geheele expositie.
      Vincent leefde toen wellicht voor het eerst. Hij toont het door zijn verven. Dat is de ware schilder, die zijn leven in zijn verzen mengt!


      De teekeningen zijn over het algemeen stram. Sommige zijn zelfs onbeduidend. Alleen troffen mij 30 en 32. Door dit laatste, „Oude man met kind”, kreeg ik een aandoening. Deze aandoening werd veroorzaakt door de teederheid, waarmee het kind vastgehouden wordt. Vooral de expressie van de rechterhand is subliem. Overigens houd ik niet van die teekeningen. No. 33 „Sorrout” is sentimenteel.


THEO VAN DOESBURG.


      Utrecht, 23-1-’16.