Theo van Doesburg/Weer een misdaad

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Weer een misdaad
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Zaterdag 8 april 1916
Titel Weer een misdaad
Tijdschrift De Controleur
Jg, nr, pg 26, 1341, z.p.
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

Ingezonden.


Buiten verantwoordelijkheid der Redactie.


Weer een misdaad.


      Men meldt ons uit den Haag: dat het niet noodig is verstand van Kunst te hebben om in de „Nieuwe Rotterdammer” kunstverslagen te schrijven,
      dat op de Sturm-Ausstellung te ’s-Gravenhage in de kunstzalen d’Audretsch, ’n minderwaardig personage is gezien,
      dat dit personage misdaad heeft gepleegd in den vorm van een kunstverslag, naar aanleiding der tweede expotitie van „Der Sturm” te Berlijn,
      dat de kernachtige inleiding des heeren Herwarth Walden, in bedoeld verslag begeleid wordt door ’n even dom als slecht repliekje,
      dat de woorden: „Ik ben niet van meening, dat het met de kunst tegenwoordig slecht staat. Maar er staan te veel menschen om heen. Men nadert de kunst met stompe zinnen enz.” uit des heeren Walden’s inleiding, voornamelijk toepasselijk zijn op alle schrijvende creaturen, die men „kunstverslaggevers” en „kunstcorrespondenten„ noemt,
      dat: „De kunstgeleerden weten wat kunst is, n.l. dat wat zij niet weten”, door het Rotterdamsche personage „vulgair”, „goedkoop” en „voos” wordt genoemd, maar dat voor de voozen, alles voos is,
      dat het meest vulgaire en goedkoope wel is kunstcorrespondent(e) te zijn. Men is ’n jaartje op de H.B.S. geweest, loopt uit hongersnood naar een of ander dagblad en wordt dan .... kunstverslaggever,
      dat men het veiligst kunstverslaggever kan zijn, omdat men daar absoluut geen kennis voor noodig heeft,
      dat er een commissie van kunstenaars en letterkundigen gevormd is, om paal en perk te stellen aan de vele misdaden in den vorm van kunstkritiek.


THEO VAN DOESBURG.


Leiden 29-3-’16.


      Naar men mij mededeelt moet het gekrabbel in de „Nieuwe Rotterdammer” van een zekere juffrouw De Haas te ’s-Gravenhage zijn.