Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant/Jaargang 63/Nummer 248/Brueghel-tentoonstelling

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Brueghel-tentoonstelling. Rijksmuseum Twenthe’ door De W.
Afkomstig uit het Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant, zaterdag 20 oktober 1934, derde blad, p. 1.


[ 1 ]

BRUEGHEL-TENTOONSTELLING.

RIJKSMUSEUM TWENTHE.

      Zooals bij de opening van deze zeer belangrijke tentoonstelling reeds gezegd werd, mag door de aan deze tentoonstelling gegeven benaming niet de verwachting gekoesterd worden hier werken te vinden van Pieter Brueghel de Oude. Het zijn de werken van zijn beide zoons Pieter Br. de Jonge of Helsche Brueghel en Jan Br. of Fluweelen Brueghel, die hier met werk van een aantal aan hen verwante tijdgenooten een beeld geven van de bizondere kunstrichting, die in het begin der 16e eeuw in Vlaanderen groeide en bloeide. Maar voor de zeer velen, die niet in de gelegenheid komen het werk van Pieter Brueghel de Oude in de buitenlandsche musea te zien, is hier toch gelegenheid door het werk van de zoons dat van den vader te leeren kennen. Het feit, dat de jongere Pieter zoo vele van zijns vaders werken kopiëerde, min of meer daarin wijzigend, dient in het kader van dien tijd gezien en beoordeeld te worden. In onzen tijd, waar originaliteit een begrip is, welks waarde

Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant vol 063 no 248 Een winterlandschap, door Jacob Grimmer.jpg

Een Winterlandschap, door Jacob Grimmer.

men hoog — wel wat te hoog — opgevoerd heeft, zou zulks uit een artistiek oogpunt iets minderwaardigs geoordeeld worden. In Brueghel’s tijd was men minder scrupuleus. Inplaats van vóór alles naar oorspronkelijkheid te streven, zocht men voort te bouwen op voorgangers en deed dit zelfs door hun werk te kopieëren en daarbij naar eigen inzicht veranderingen aan te brengen, die veelal het doel hadden het werk meer aan geest en smaak van een jongere generatie te doen aanpassen. En door dat voort-bouwen op het goede van voorgangers werden hoogten bereikt, die thans op verre na niet benaderd worden. Men bedenke daarbij, dat de schilder van dien tijd niet, zooals thans, gold als een bizonder soort mensch. Hij was een ambachtsman als elk ander. Maar de achting en waardeering, die men in dien tijd der gilden koesterde voor het eerlijke en zuivere handwerk was wel heel iets anders, dan nu. De liefde en belangstelling voor het nobele ambacht was de stuwende kracht, die het werken en kunnen opvoerde tot ongekende hoogten.
      Zoo was het dan in het bizonder Pieter Brueghel de Jonge, die voortbouwde op het werk van zijn vader. Hij deed dit met groot talent, al heeft hij nooit de hoogte van zijn genialen vader kunnen bereiken. Om het werk van den zoon in het juiste licht te zien, is het dan noodig te beginnen bij den vader en diens tijd.
      Pieter Brueghel de Oude, de Boeren-Brueghel (1525—1569) leefde in den tijd van de felle geestes-stroomingen der Renaissance. In de 15e eeuw zijn er twee centra van cultuur, van waar de voornaamste stroomingen en kunstrichtingen uitgaan. Het zijn: Italië, de bodem van de klassieke cultuur, en Vlaanderen, toen wel het meest belangrijke economische wereld-centrum en concentratie-punt van wereld-handel, een land van groote welvaart en daardoor: een vruchtbare bodem voor een nieuwe kunst. De nieuwe geestes richting van dien tijd beteekent: de bevrijding van het individu uit zijn middeleeuwsche gebondenheid. De mensch gaat de wereld door zijn eigen oogen zien, los van kerkelijke dogmatiek en vrijgemaakt van de banden der feodale ridderschap.
      Pieter Brueghel de Oude nu ziet den Mensch niet als eenling, maar zoekt de menigvuldigheid. Het thema waar zijn kunst van uit gaat is de Wereld, het Leven, en niet: het individu op zichzelf. Hij ziet het Leven als beweging en geeft dit weer los van alle conventie en op de meest onofficiëele wijze. En hij geeft daarbij niet alleen de zichtbaarheid van het bewegende Leven, maar ook het Geheim dat in dat bewegende Leven zit. En zoo zijn dan van zijn hand ontstaan zijn „moraliscerende” schilderijen: boeren-bruiloften en andere voorstellingen uit het boerenleven, zijn „spreekwoorden” en „parabels”, zijn jaargetijden en.... zijn landschappen.
      Want Pieter Brueghel is wel de eerste schilder geweest, die het land schap in al zijn schoonheid doorvoeld heeft. Waar zijn voorgangers het landschap min of meer benutten als entourage en het slechts wisten weer te geven als achter elkaar volgende plan’s, zoo zag Brueghel het landschap als één groote ruimte en één organisch geheel. Aan hem openbaarden zich de atmosfeer en het Licht! En daarbij zien wij in zijn landschappen weer steeds den Mensch, niet als stoffeering, maar als „deel van de aarde”.
      Zoo was dan de geest van den vader, die wel in de eerste plaats is overgegaan op zijn oudsten zoon Pieter Brueghel de Jonge en door wiens werk wij op deze tentoonstelling hem, en, zij het dan ook wat minder zuiver, zijn vader leeren kennen.
      Als typisch specimen van deze Brueghels wijs ik in de eerste plaats op de „Vlaamsche Spreekwoorden” (No. 1), een wonderlijk samenstel van niet te tellen tafreelen, met elkaar vormend een gebonden eenheid. Met felle raakheid typeert hij zijn personen, zonder ze tot caricaturen te maken. Uit de bontheid van zijn delicate kleuren weet hij een groot harmonisch geheel te vormen. In het „Bruiloftsmaal” (33) zien wij een voorbeeld van zijn tafreelen uit het boeren-leven. Hier valt weer op hoe hij zijn kleur en ook zijn penseeltoets wist te richten naar het te behandelen onderwerp. Dit werk van min of meer naiëve kleur, heeft een gebonden actie, waarbij alles als ’t ware met even groote duidelijkheid verteld wordt.
      Van de kleinere werken van dit typische moraliseerende genre noem ik van Pieter Br. de Jonge: de Houtsprokkelaars en de debatteerende Rederijkers. In de „Kindermoord van Bethlehem” treft ons weer een geheel andere sfeer. De figuren teeknen zich donker af tegen de sneeuw een zware, onheilspellende lucht over dekt het geheel. Hier werd niet gezocht naar weergave van een atmosrefisch geheel; het is het ernstig verhaal van een onzalig gebeuren.
      Het is wel typeerend voor de ontvankelijkheid voor het atmosferisch aspect van het landschap bij de Brueghels, dat zij zich zoo aangetrokken gevoelden tot het sneeuwlandschap. En hier wil ik vooral de aandacht vestigen op het „Winterlandschap met de Vogelval” (4), een motief dat meerdere malen door de Brueghels weergegeven werd. Naast een uitermate evenwichtige compositie en een sfeer van groote zuiverheid treft hier hoe meesterlijk de figuren opgenomen zijn in het geheel, hoe hun beweging als ’t ware deel uitmaakt van de beweging van het landschap zelve. Van de overige winter-tafreelen noem ik No. 21, eveneens van Pieter Br. de Jonge, een Winter van Jacob Grimmer (132) (hierbij afgebeeld) wiens figuren van een meer „hoofdsche allure” zijn, en het bizonder gevoelig gecomponeerde sneeuwlandschap van Joost de Momper.
      Van de hand van den jongsten zoon, Jan Brueghel, is hier een groot werk: de Triomph des Doods, een navolging van een werk van zijn vader. Het is een paneel, omvangrijk van afmeting zoowel als van inhoud. De hongerige Dood, die het weerlooze menschdom bespringt, is weergegeven in zijn honderd verschillende gedaanten, die alle tot een wonderbaar ineensluitend geheel zijn gecomponeerd.
      Overigens heeft Jan Brueghel niet in die mate de voetstappen van zijn vader gevolgd als zijn oudere broer. Hij werd blijkbaar meer geboeid door de „kleine dingen des levens”. Dit komt niet alleen tot uiting in zijn landschappen maar vooral in zijn bloemstukken. En hier komen we op een genre, dat nieuw is voor dien tijd: het bloemstuk en het stilleven, niet als onderdeel gezien, maar geschilderd om zichzelf. Op deze tentoonstelling zijn, behalve van Jan Brueghel een aantal zeer te waardeeren specimen van deze kunst, ook van zijn tijdgenooten: Balthasar van der Ast, Ambrosius Bosschaert en Jan van Kessel. Van laatstgenoemde toonen zijn insectentafreeltjes wel opmerkelijk aan, hoe in dien tijd de oogen geopend werden voor de schoonheid van het nietige: zij zijn geschilderd in stille aandacht en bewondering voor die kleine wezens.
      Balthasar van der Ast leeren wij kennen als een uiterst bekwaam stilleven-schilder, begaafd met een bewonderenswaardige techniek en een voornaam compositie-talent.
      Aandacht verdienen nog vier kleine ronde paneeltjes van Abel Grimmer: de jaargetijden, waaruit nog de verwantschap aan de middeleeuwsche miniaturen spreekt, en daaronder: vier jaargetijden van Sebastiaan Vrancx, die dit gegeven meer in stilleven-vorm opvatte. Tenslotte moet ik nog wijzen op een zeer mooi werk van Lucas van Valkenborg, een landschap in rijpen grijzen toon, van ongewone distinctie.
      Het is een tentoonstelling waar zeer veel te genieten valt.

De W.