Aardige sprookjes/17

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
16 Aardige sprookjes door Onbekend

17. Vrouw Holle

18

[ 34 ] Er was eens eene weduwe, die twee dochters had. De eene was leelijk en lui, de andere mooi en vlijtig. De moeder hield het meest van de leelijke, omdat die de oudste was; de jongste moest al het zware werk doen. En als in huis alles in orde was, moest ze aan de deur gaan zitten om te spinnen.
 Ze werkte daar zoo vlijtig, dat dikwijls het bloed bij haar vingers neerliep. Toen ze op een keer het bloed van de spoel wilde afwasschen, viel deze haar uit de hand in den diepen put. Zonder spoel durfde ze niet naar haar moeder toe en in haar angst sprong ze het verlorene achterna.
 Maar toen ze op den bodem daarom kwam, stond ze op eens op eene groene weide. Na een poosje was het juist of ’t naar versch brood riekte, en ze hoorde heel duidelijk uit den oven een stem: „Neem me toch, ’k verbrand anders nog.“
 Ze haalde daarom al het versche brood er uit en zette die brooden naast elkander neer om koud te worden. Even daarna riepen de appelen van een boom:
 „Schud ons er af, want we zijn juist rijp.“
 Ook dat deed het vlijtige meisje; ze schudde de appelen van den boom, legde ze netjes op een hoopje bijeen en ging weer aan’t zoeken. Maar de spoel vond ze niet. Nu kwam ze bij een huisje. Daar keek een oud vrouwtje uit en dat had zulke groote tanden, dat het meisje hard weg wou loopen, zoo bang was ze. Het oudje riep haar echter erg vriendelijk en zei:
 „Kom maar binnen, als je goed voor mij werkt, zul je ’t zoo goed hebben, alsof je mijn eigen kind bent. Vooral moet je mijn bed goed opschudden, want als de veeren dan zoo rond vliegen, zeggen de menschen: „kijk, het sneeuwt, en daar houd ik van, want ik ben vrouw Holle.“ Het meisje beloofde alles te doen en bleef bij de oude vrouw. Ze deed goed haar werk en ook vrouw Holle hield hare belofte. Eten en drinken was er in overvloed en altijd was er wat te smullen.
 ’t Duurde echter niet lang af het meisje verlangde naar haar moeder terug. Ze vroeg daarom aan het oudje of ze weggaan mocht. Vrouw Holle vond het goed. „Want,“ zei ze, „die naar huis verlangt, heeft ook een gevoelig hart, die houdt het in vreemde landen niet uit. En daar je mij zoo trouw en gewillig gediend hebt, zal ik er je ook voor beloonen.“
 Ze nam het meisje nu bij de hand, om haar zelf naar boven te brengen, en bracht haar bij een groote poort. Toen de poort open gedaan werd en het vlijtige kind juist in ’t midden daarvan was, kwam er een goudregen op het verbaasde kind neerdalen, en al dat fonkelende goud bleef aan haar hangen, zoodat de glans ver te zien was. Vrouw Holle stond nog aan haar deur, knikte het lieve kind vriendelijk goedendag en ging toen naar binnen. Nu ging de poort ook dicht. Het meisje ging een prachtigen marmeren trap op en stond al heel gauw voor de deur van haar moeders woning. Ze werd met open armen ontvangen, omdat ze zoo heelemaal met goud bedekt was, en de haan, die bij de pomp zat, klapte, toen hij haar zag, van pleizier met zijn vleugels en riep: „Kukeleku, ons gouden meisje is er nu.“
 Nadat het meisje aan haar moeder had verteld wat ze ondervonden had, wou deze ook zoo’n gelukje voor haar oudste dochter hebben. Ze beval haar te spinnen hot de vingers begonnen te bloeden, dan de spoel te wasschen en in de put te springen. Dat deed de luie dochter ook, maar daar haar vingers niet aan ’t bloeden gingen door haar langzaam werken, krabde ze zich met de spoel, wierp deze in de put en sprong er ook in. Precies als haar zusje kwam ze ook op de groene weide. Toen ’t brood en de appelboom riepen, ging ze maar voort net of ze niets hoorde. Brutaal weg stapte ze bij vrouw Holle binnen en bood deze terstond haar dienst aan.
 Den eersten dag deed ze ook gewillig alles wat vrouw Holle haar gelastte. Den tweeden dag reeds viel het haar te moeilijk en bromde ze achter den rug van ’t oudje. Vervolgens wou ze niet zoo vroeg opstaan, en het bed opmaken dat beviel haar in ’t geheel niet, dat woest vrouw Holle maar liever zelf doen, als ze daar zooveel van hield.
 Dat luieren beviel het oudje niet lang. Ze zei tegen het meisje dat ze haar niet langer wilde houden en ze maar weer naar haar moeder en zuster terug moest gaan. Ze nam het meisje bij de hand en bracht haar aan de groote poort.
 Toen de luie nu trotscher door ging en op den goudregen hoopte, viel er een zwarten kleverigen regen van teer, die op haar hangen bleef. „Dat is nu jou loon,“ zei vrouw Holle, „en als je je niet verbetert, dan zal je heele leven lang die teer aan je blijven kleven.“ Toen deed ze de deur dicht en het meisje moest een smerige trap op, waardoor ze met veel moeite thuis kwam. „Kukeleku, daar is het luie juffertje nu,“ kraaide de haan bij de pomp, en er kwamen een boel menschen toeloopen die de luie meid uitlachten en den spot met haar dreven. Ze bleef haar leven lang met teer zitten, want nooit kreeg ze lust in ’t werken.

 

 
[ 35 ]
 
Vrouw Holle