Aardige sprookjes/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
17 Aardige sprookjes door Onbekend

18. Munchhausen

19

[ 36 ] In zeker vroolijk gezelschap bevond zich ook eens de wereldberoemde Vrijheer van Munchhausen. Toen men van alle kanten bij hem aandrong, enkele lotgevallen te vertellen, begon hij:
 „Toen ik in Rusland reisde bevond ik mij ’s winters eens te paard op eene onafzienbare vlakte. Alles was met sneeuw bedekt, geen boom, geen struik, geen woning was te zien, en het begon al donker te worden. Ik nam een kort besluit, steeg van het paard, bond het dier vast aan een stompje, dat boven de sneeuw uitstak, en ging naast mijn paard liggen, waarna ik spoedig insliep.
 Toen ik den volgenden dag wakker werd, was ik niet weinig verwonderd, midden op een kerkhof te liggen. Mijn paard zag ik hangen aan de spits van een kerktoren. Het dorp was door de sneeuw bedekt geweest; nu had het ’s nachts gedooid, en ik was naar beneden gezonken met de sneeuw. Wat ik voor een boomstompje had aangezien, was de spits van den kerktoren. Ik greep spoedig een pistool, mikte op den halster en schoot dien stuk, zoodat mijn paard spoedig op vasten grond kwam.
 Een andere keer op de jacht zijnde, zag ik op een meer een troep wilde eenden, die ik graag allemaal wou hebben. In mijn weitasch had ik nog een stuk spek, dat bond ik aan een stevig touw en wierp nu het lokaas uit. De eerste eend slikte het spek door, en omdat dit zoo vet was, gleed het door de ingewanden. De tweede hapte het nu op, en zoo ging het voort, tot allen aan ’t touw geregen waren. Nu trok ik ze aan land, wikkelde het touw een paar malen om mijn lijf en ging naar huis. Toen had er wat vreemds plaats. De eenden waren van den schrik bekomen en vlogen met mij in de lucht. Ik verloor mijne bezinning niet, maar stuurde met armen en beenen den weg op naar mijn huis. Boven mijn huis trok ik een voor een de eenden naar mij toe, draaide ze den nek om, en daalde zoo zoetjes aan door den schoorsteen in mijne kamer.
 Op een keer had ik al mijn kruit verschoten, toen ik een hert voor mij zag. Dadelijk nam ik een hand vol kersepitten, laadde daarmee mijn geweer en schoot die het dier in den kop. Het hert, dat ernstig getroffen was, wist evenwel te ontkomen. Toen ik een paar jaren later weer op de jacht was in hetzelfde bosch, werd ik verrast door een kolossaal hert, dat op zijn kop een grooten kerseboom had staan. Behalve een lekker boutje had ik meteen een heerlijk nagerecht, want de boom zat vol met de mooiste kersen.
 Ten slotte ging ik onder dienst en maakte den veldtocht mede tegen de Turken. Wij belegerden eene stad, en de generaal meende, dat ze alleen dan ingenomen kon worden als we een goede teekening van de vesting bezaten. Ik bood mij aan die te verschaffen en en ging op een afgeschoten kogel zitten. Toen ik op den kogel zat, teekende ik vlug de vesting af en sprong, om weer terug te komen, gauw van mijn kogel op een die uit de vesting werd afgeschoten, en kwam zoo behouden weer bij de mijnen aan.
 Tot mijn spijt werd ik gevangen genomen en als slaaf aan den sultan verkocht, die mij tot bijenherder aanstelde. Op zekeren avond zag ik, dat twee beren een bij hadden aangevallen, om haar van haar honig te berooven. Ik pakte mijn zilveren bijl, en gooide dien naar de dieren, om ze althans op de vlucht te jagen. Het gelukte mij ook. Maar ik gooide zoo geweldig, dat de bijl in de maan terecht kwam.
 Om nu weer mijn bijl terug te krijgen, plantte ik gauw een Turksche boon, en daar deze dadelijk vreeselijk sterk groeide, klom ik daar langs naar de maan. De bijl was echter niet gemakkelijk te vinden, want op de maan schitteren alle dingen alsof ze van zilver zijn. Eindelijk werd mijne moeite beloond en vond ik mijn bijl. Maar wat schrikte ik, toen ik terugkeeren wilde, en den boonstengel verdroogd zag. Toen moest ik een lang niet gemakkelijk werkje doen. Van stroohaksel vlocht ik een touw, zoo lang ik maar kon, bond het aan een punt van de maan vast en liet me toen maar zakken.
 Het touw was nog veel te kort, en daarom kapte ik met mijn bijl, telkens het touw boven mij af en knoopte het van anderen weer vast. Hierdoor was het touw bros geworden, en toen ik bij de wolken kwam brak het, zoodat ik als de wind zoo snel naar beneden ging en een gat in den grond viel, dat minstens 10 el diep was. Maar daar ik nogal sterk ben, was dat niet zoo erg. Ik pakte mezelven bij de haren, en met een beetje inspanning, trok ik me zoo er uit. Den volgenden dag gebruikte ik een list, om me de beren van ’t lijf te houden.
 De dissel van een wagen bestreek ik met honig, schuilde in de nabijheid weg en wachtte af, wat er gebeuren zou, Spoedig komt Bruintje te voorschijn, besnuffelt den disselboom, en gaat zoo gulzig aan ’t likken, dat de disselboom hem heelemaal door ’t lichaam ging. Nu zat hij vastgespiest. Dadelijk kwam ik toeschieten, sloeg een spie in ’t voorste deel van den dissel, en de beer was gevangen.
 De sultan, die er bij toeval op aan kwam, lachte zich half ziek en schonk mij de vrijheid. Terstond begaf ik mij op reis, en kwam zonder bijzondere ontmoetingen behouden in mijn vaderland terug.

 

 
[ 37 ]
 
Munchhausen