Album der Natuur/1852/Bamboes, Van der Burg

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De buitengewone groeikracht van het bamboes (1852) van Pieter van der Burg
'De buitengewone groeikracht van het bamboes' werd gepubliceerd in Album der Natuur (eerste jaargang (1852), pp. 159/160. Dit werk is in het publieke domein.


[ 181 ]
 

BUITENGEWONE GROEIKRACHT

VAN

HET BAMBOES.

 

 

Het bamboes is een riet of reusachtig grasgewas, dat eene der nuttigste planten van de keerkringslanden uitmaakt. Het groeit vooral op vochtige plaatsen en vormt soms digte bosschen. De houtachtige, van binnen holle stammen bereiken eene hoogte van 6 tot 15 ellen en verkrijgen eene dikte van 2 tot 5 palmen. De stam bevat even als ons riet leden, die door knobbels van elkander afgescheiden zijn. Deze knobbels of knoopen zijn van tusschenschotten voorzien, zoodat men de afzonderlijke stengelleden, zonder verdere toebereiding, even als watervaten, of tot het bewaren van allerlei voorwerpen kan gebruiken. De uitloopers der stammen hebben slechts korte leden, zij zijn van binnen niet hol, en men maakt er de bekende knobbelige wandelstokken van.

Op Sumatra planten de bewoners het bamboes rondom hunne kampongs of dorpen, en vormen daarmede eene ondoordringbare omheining. Het hout wordt tot allerlei zamenstellingen gebruikt. Men splijt het tot latten, maakt er schuitjes, masten, bruggen, tafels, stoelen en honderde anderen meubelen en gereedschappen van. De toppen van de jonge loten worden tot schijven gesneden, gekookt en in azijn ingelegd om als spijze gebruikt te worden. De lange bladen, die de plant een sierlijk aanzien geven, worden tot het inpakken van goederen gebezigd.

[ 182 ] De beschrevene plant groeit met eene buitengewone snelheid. Roxburgh zegt in zijne Flora van Indiën, dat het bamboes in 30 dagen zich tot zijne geheele hoogte verheft. Doctor wallich heeft een paar jaar geleden, in den botanischen tuin van Calcutta, eene bamboesplant doen waarnemen, en wel gedurende de maand Julij. De geheele toename in hoogte bedroeg in 30 dagen 8 el 6 palmen. De som der vermeerderingen in hoogte van den morgen tot den avond, beliep in dat tijdsbestek ruim 4 el 4 duim, die van den avond tot den morgen 4 el 5 palm 6 duim. Men kan uit deze waarnemingen besluiten, dat het bamboes des nachts sterker groeit dan des daags, iets dat ook reeds bij sommige andere planten is opgemerkt, vooral bij de zoodanige die zeer lange stengels bezitten, waarin de gedurende de warmte des daags opgevoerde sappen eerst later aan den top nieuwe deelen vormen.