Algemeen Handelsblad/Jaargang 104/Nummer 33865/Ochtendblad/Tijdschriften

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tijdschriften
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 30 mei 1931
Titel Tijdschriften
Krant Algemeen Handelsblad
Jg, nr 104, 33865
Editie, pg Ochtendblad, tweede blad, 7
Opmerkingen Abraham Bredius vermeld als Bredius, Pablo Picasso als Picasso
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

TIJDSCHRIFTEN.

De Vrije Bladen.

      Het Mei-nummer van „De Vrije Bladen” opent met een fragment van een roman door Menno ter Braak, die „Hampton Court” heet. H. Marman schrijft in zijn „kroniek der poëzie” over het werk van Chr. de Graaff en publiceert weer eenige fragmenten van zijn „Vera”. Menno ter Braak schrijft verder nog over Anthonie Donker en D. A. M. Binnendijk over de voordracht van „Stervend Europa” door Charlotte Köhler.


„Oud-Holland”: Carel Fabritius en Bloklandt van Montfoort.

      Verreweg het grootste gedeelte van de nieuwe aflevering van „Oud-Holland” wordt ingenomen door een bijdrage van mr. H. F. Wijsman over den schilder Carel Fabritius, waarin de schrijver aan de reeds eerder door dr. Bredius gepubliceerde gegevens eenige tot dusverre onbekende levenbijzonderheden toevoegt. Het opstel, waarin de afkomst, de jeugd te Beemster, het verblijf te Amsterdam, het tweede verblijf te Beemster, ’s kunstenaars laatste levensjaren te Delft en diens verhouding tot Rembrandt worden behandeld. is rijk geïllustreerd met afbeeldingen naar werken van den meester.
      Louis Dimier draagt een notitie bij over een vrouwenportret door Blocklandt en dr. Bredius meent in het portret van een ouden Jood, in de collectie dr. Fatou te Parijs, het origineel te mogen zien, waarvan verschillende herhalingen bekend zijn.

„Oudheidkundig Jaarboek”: oude Nederlandsche muziekinstrumenten in het Museum Scheurleer.

      Een studie van Dirk J. Balfoort over de oude Nederlandsche muziekinstrumenten die het Museum Scheurleer bevat en over de instrumentmakers, die in vroeger tijden in ons land geleefd hebben, opent de vierde aflevering van het „Oudheidkundig Jaarboek”. De mededeelingen die de heer Balfoort over deze laatsten doet dankt hij grootendeels aan dr. Bredius, die bij zijn onderzoek naar de Hollandsche schilders meteen noteerde wat hij omtrent de makers van muziekinstrumenten in de oude archiefstukken vond. De bijdrage wordt met tal van afbeeldingen toegelicht.
      Dr. Juliane Gabriels brengt nog eens de quaestie van de „Razernij” (de Dolhuis vrouw) ter sprake waarop dr. El. Neurdenburg een naschrift geeft. Ten slotte de gewone rubrieken.

„Kunst-Opbouwen”: Brou. — Frank Mortelmans. — Beelden van het Ysermonument.

      Dr. J. Duverger geeft, bij afbeeldingen, een overzicht van den bouw der kunstwerken, van kerk en klooster te Brou. Roger Avermate schrijft bij afbeeldingen naar schilderijen, over den portrettist Frank Mortelmans en Jean van de Voort bespreekt de beelden van het Ysermonument. Onder de rubriek „Kunstnieuws” vinden we de volgende mededeelingen: Van prof. Hulin de Loo, als zou het portret van Laurent Froidmont uit het Museum te Brussel, oorspronkelijk een tweeluik hebben gevormd met de Madonna van Van der Weyden uit het museum te Caen.
      Van Louis Dimier, die in de Société des Antiquaires de France” de veronderstelling heeft geuit dat het portret van Arnolfini in de National Gallery niet den Italiaanschen bankier maar den schilder Jan van Eyck zelf zou voorstellen.
      Het tijdschrift neemt het oordeel van Cornelis Veth omtrent Permeke over en plaatst een interview met Picasso; Theo van Doesburg wordt herdacht. Verder allerlei over film, tooneel, bouw- en beeldhouwkunst.

„Wendingen”.

      In een omslag naar ontwerp van Arthur Staal is de nieuwe aflevering van bovengenoemd tijdschrift verschenen met reproducties naar luchtfoto’s van Nederland. De inleidingen werden geschreven door J. Boterenbrood en J. M. Corsten.

„Die Kunst”: Pietro Bugiani.

      De schilder Pietro Bugiani, naar wiens werk „Die Kunst" een aantal reproducties geeft, heeft onlangs op een tentoonstelling van Toscaansche schilderkunst te Berlijn een groot succes behaald, wat niet te verwonderen valt, voor wie de voorbeelden van zijn zuivere, ernstige kunst heeft gezien, die de aflevering bevat. Bugiani is een jongeman uit Pistoia, de zoon van een schoolmeester. Hij werd voor decorateur op geleid; zijn kennismaking met de wandschilderingen van zijn landgenoot Giovanni Cosletti, wiens werk hij zeer bewonderde, was van grooten invloed op zijn toekomst: de oudere schilder ontdekte zijn talent en wees hem den weg. Zoo werd hij een schilder van fresco’s, van klare, eenvoudige, volksaardige tafereelen. Het tijdschrift reproduceert van hem liefelijke Toscaansche landschappen en een Madonna in den stal van Bethlehem. Dr. F. Ostmann vertelt van een tentoonstelling van oude Weensche kinderportretten bij reproducties naar Waldmüller en andere meesters van Weensche herkomst. Het bouwkundige gedeelte is gewijd aan het werk van Otto Haesler; kleinere bijdragen over tuinkunst, huisinrichting en kunstnijverheid.

„L’Amour de I’Art”: Degas. — Modigliani.

      „L’Amour de l’Art” bevat een artikel van Paul Jamot over Degas, naar aanleiding van een nieuw, aan hem gewijde zaal in het Louvre. Degas, zegt Jamot, heeft een tijd van vergetelheid gehad; men noemde hem een academicus, die bij zijn groote tijdgenooten verre ten achter bleef. Thans is men daar wel anders over gaan denken: „Delacrois en Degas, zegt men thans, zijn de eenige schilders der 19de eeuw die recht hebben op den naam van „esprits supérieurs”.
      In 1914 werd het Louvre verrijkt met de schitterende collectie Camondo, die een dertigtal van Degas’-werken, van groote waarde, bevatte. Ook aan de verzameling Caillebotte en aan ande[re] heeft het Louvre tal van werken van den meester te danken. De nieuwe aanwinst, — die met het oude museumbezit een groote zaal vult — is van de familie Degas afkomstig. Ze bevat ook klein beeldhouwwerk in brons en in was, dat de schilder maakte om zich van zijn gewonen arbeid wat te verpoozen. Bij de schilderijen en pastels zijn verscheidene portretten, zooals dat van Degas’ zuster Marguerite, die hy herhaaldelijk heeft geteekend en geschilderd; van zijn vriend De Valerne en van zich zelf, met Valerne samen. Bovendien is er het groote „Portrait de familie” en andere belangrijke dingen, die men, het Louvre bezoekend, vooral niet verzuimen moet.
      Een tweede bijdrage in dit nummer is gewijd aan Modigliani als schilder en beeldhouwer. Verder allerlei kunst-, tentoonstellings- en boekennieuws.