Algemeen Handelsblad/Jaargang 80/Nummer 25163/Avondblad/Dr. P. J. H. Cuypers

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dr. P. J. H. Cuypers.
(1827—16 Mei—1907).
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 16 mei 1907
Titel Dr. P. J. H. Cuypers. (1827—16 Mei—1907).
Krant Algemeen Handelsblad
Jg, nr 80, 25163
Editie, pg Avondblad, Derde Blad, 9
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Dr. P. J. H. Cuypers.

(1827—16 Mei—1907).

      Wanneer een kunstenaar als dr. Cuypers het voorrecht heeft in goede gezondheid, vol van de opgewektheid, de belangstelling in nieuwe dingen, de weetgierigheid noodig voor het ondernemen van een verre reis, zijn 80sten verjaardag te vieren, dan is het een plicht en een genoegen hem geluk te wenschen, hem te zeggen dat wij ons verheugen in zijn bezit, hem nog eens te danken voor wat hij ons heeft geschonken.
      Dien dank brengen wij heden den tachtigjarige. En wij voegen er onze wenschen voor een gelukkigen levensavond bij.
      Maar ook willen wij, zoo goed dat in een kort bestek mogelijk is, onzen lezers in herinnering brengen, wat wij, wat de Nederlandsche bouwkunst aan dr. Cuypers te danken heeft.
      Toen Petrus Josephus Hubertus Cuypers in 1849 aan de Antwerpsche Academie den prix d’excellence in de bouwkunst behaalde, was deze kunst in ons land droevig in verval. Schijn, valschheid, nabootsing, onbegrepen dikwijls, van wat elders gemaakt werd — dat is ongeveer het beeld van onze bouwkunst van omstreeks het jaar 1850. En zelfs aan de Academie, waar hij was opgeleid, waren de denkbeelden omtrent architectuur zeer eigenaardig: de Grieksche bouwkunst stond in het hoogste aanzien, men zwoer er bij Vitruvius; de renaissance werd erkend, en de Gothiek, die, in België vooral niet alleen in kerken en kathedralen maar in stadhuizen, markthallen en woonhuizen zooveel merkwaardigs had nagelaten, was in het geheel niet in tel, heette nauwelijks goed voor kerken.
      Zeer merkwaardig was het dan ook, dat de jonge Cuypers uit zich zelf tot andere denkbeelden kwam. Hij begreep, dat de kunst van de Grieken uit de oudheid verder van ons afstaat dan die van ons eigen land in de middeleeuwen; hij had ook gezien dat de geminachte Gothische kunst uit een constructief oogpunt hooger stond dan die der oudheid; hij voelde ook, dat de bouwkunst had te breken met een bouwwijze, die andere materialen gebruikte dan zij deed voorkomen, die pronkte met „deuren en vensters, waarin geen opening is, schoorsteenen zonder rookkanaal, dakgoten zonder waterleiding, tot zelfs gevels zonder gebouw er achter”, zooals jhr. mr. Victor de Stuers in zijn schets van dr. Cuypers in de Mannen en Vrouwen van Beteekenis schreef.
      Al spoedig kreeg de jonge architect de gelegenheid van deze meeningen te doen blijken, toen de bisschop van Roermond hem raadpleegde over de kort te voren gepleisterde Munsterkerk, waar men verder o. a. de ramen en de bogen van het emporium had dichtgemetseld. Hij werd met de restauratie van het koor der kerk belast. Minder gelukkig was hij met een ontwerp voor een kerk te Helmond, en voor een kerk te Steyl, waar hij gewelven wilde bouwen, die werkelijk gewelven waren: die „gevaarlijke constructie” durfde men niet aan. In de pastorie te Vechel en het kerkje te Oeffelt paste hij deze bouwwijze echter toe, en met succes! Hier was dus de strijd tegen gewelven van latten en gips gewonnen!
      Kwam Cuypers destijds reeds op voor waarheid in de bouwkunst, ook voor een logische constructie van wat hij bouwde, voor versiering aan de constructie ondergeschikt en er uit voortvloeiende bond hij den strijd aan. En hij kreeg gelegenheid dat te doen, niet alleen in gebouwen, maar ook bij het ontwerpen van voorwerpen voor kerkelijk gebruik, waarmede hij belast werd, toen hij zich geassocieerd had met den heer Stoltzenberg te Roermond. De werkplaatsen der nieuwe firma werden te Roermond gevestigd en Cuypers is die steeds blijven leiden, steeds ontwerpend en teekenend, zelfs in details, voorwerpen van allerlei aard, steeds blijk gevend van fijnen smaak, bijzondere vindingrijkheid en groote constructieve handigheid. Tot den vooruitgang van het ambacht heeft dr. Cuypers dan ook het zijne bijgedragen, zoowel in zijne werkplaatsen, en door de opleiding, die velen daar ontvingen, als door het gesproken woord: wij herinneren ons van enkele jaren geleden een zeer overtuigende voordracht over dit onderwerp in den katholieken Kunstkring „De Violier”.
      Intusschen was hij reeds begonnen te bouwen, huizen, maar vooral kerken. Het aantal kerken, dat Cuypers gebouwd heeft is over de honderd. Daaronder zijn zeer belangrijke — te Amsterdam vijf, waaronder het merkwaardige kerkje in de Vondelstraat.
      Maar ook heeft hij vele oude bouwwerken gerestaureerd. Niet alleen in ons land, maar ook er buiten. Het belangrijkste van deze laatste werken is wel de Dom te Mainz. Van beteekenis voor Cuypers was de restauratie van de Munsterkerk te Roermond, ook daarom omdat zij hem in aanraking bracht met Viollet-le-Duc, die, met andere deskundigen, zijn oordeel omtrent den vroegeren toestand der kerk bevestigde, en sedert een vriend bleef, die veel invloed op zijn verdere ontwikkeling heeft gehad.
      In 1874, hij woonde toen reeds eenige jaren te Amsterdam, werd Cuypers lid van het College der Rijksadviseurs voor de Monumenten van geschiedenis en kunst, een college dat slechts vier jaren heeft bestaan, maar in dien tijd veel invloed heeft gehad, zoowel op de nieuwe gebouwen die van rijkswege werden gezet, als op de zorg voor bestaande monumenten, en waarin Cuypers een belangrijke rol heeft gespeeld. In 1876 werd hij, na een besloten prijskamp, benoemd tot architect der Rijksmuseumgebouwen en hij stichtte ons museum, trots veel tegenstand, in den stijl van het begin der 16e eeuw. Wij hebben ons er voor to buigen. Een stijl van de 19e eeuw was er immers niet; een ander bouwmeester zou, had hij destijds een museum moeten bouwen, een anderen stijl uit ouden tijd hebben gevolgd. En ook al is het waar, dat niet alle ruimten in het gebouw even gelukkig zijn uitgevallen voor het doel, waarmede zij zijn gebouwd, het museum heeft zooveel schoonheden, het is een zoo indrukwekkend geheel, dat wij dr. Cuypers voor dit tnonument slechts dankbaar kunnen zijn.
      Men weet dat dr. Cuypers onlangs aan het museum de Nachtwachtzaal heeft aangebouwd, een uitbreiding, die, hoe goed geslaagd ook wat aangaat het doel waarmee zij werd ontworpen, o. i. geen verbetering van het gebouw mag heeten. Maar eer dan een woord van verwijt hierover past een woord van waardeering voor den man, die zijn werk van minder belang heeft willen achten toen het gold Rembrandt’s meesterwerk een betere plaats te verschaffen.
      Toen het Rijksmuseum in 1885 werd geopend, werkte Cuypers reeds sedert 1881 aan het Centraal-Station te Amsterdam, na het Rijksmuseum zijn belangrijkst niet-kerkelijk bouwwerk.
      Tenzij men als zoodanig de merkwaardige reconstructie van een middeneeuwsch kasteel zou willen beschouwen, die dr. Cuypers bij Haarzuylens voor baron Van Zuylen van Nyevelt uit Parijs heeft tot stand gebracht, een gebouw uit een ruïne herrezen, naar de weinige aanwijzingen, die eenige fragmenten gaven. Een monument van kennis en smaak, waarvan elk onderdeeltje, elk lijstje, elk paneel is versierd in den stijl van den tijd, rijk en bescheiden, een monument ook van de vindingrijkheid, waarmee alle moderne gemakken zijn vereenigd met den zuiversten 14de eeuwschen stijl.
      Heeft dr. Cuypers dus voor een groot deel zijn kracht gezocht in het toepassen van de kunst van eeuwen geleden, zijn invloed op de kunst van onzen tijd is niet te miskennen. Hij heeft door zijn logisch werken, zijn ondergeschikt maken van alle bijwerk, alle versiering aan de constructie, den weg gebaand voor een zuiverder, eerlijker bouwkunst, die komende is. Hij heeft zelf geen nieuwe bouwkunst geschapen, dat kan niet één mensch. Maar hij heeft niet alleen ons het beste gegeven wat zijn tijd kon voortbrengen, zijn streven is van veel invloed geweest op de kunst die na hem komt.
      Zijn werken is niet altijd gewaardeerd, hij heeft met tegenwerking, soms van de kleinste soort te kampen gehad; niet ten onrechte heeft jhr. De Stuers in de aangehaalde schets telkens gewezen op de oppositie van „anti-papistische” zijde, die tegen hem gevoerd is. Maar zijn verdiensten zijn door sommigen reeds dadelijk, thans, meenen wij, wel door ieder erkend. Dat hij eerst van de Utrechtsche hoogeschool, nu ook van de Technische Hoogeschool den doctorstitel ontving; dat wie weet hoeveel genootschappen hem eerden door allerlei onderscheidingen, en ridderorden van vele landen hem werden geschonken, zij hier vermeld; het zijn slechts enkele van de vele bewijzen van waardeering die hij ontving. Van de betrekkingen, — ook zij zijn vele — waarin hij stad en land diensten bewees, noemen wij het lidmaatschap van den Amsterdamschen gemeenteraad, en het leeraarsambt aan de Museumscholen.
      Waarvoor wij dr. Cuypers dankbaar hebben te zijn, is ten slotte mischien door A. C. Wertheim het best gezegd, toen den bouwmeester van het Rijksmuseum na de opening van het gebouw op indrukwekkende wijze door een groot aantal landgenooten hulde werd gebracht. De redenaar sprak toen o.a. deze woorden, waarmee wij willen eindigen:
      „Wij vragen niet met angstige kleinmoedigheid aan welke kunstperiode gij uw grondgedachte en uwe motieven hebt ontleend, want wij begrijpen, dat gij den aandrang hebt gevolgd van uwe innerlijke bezieling, geënt op het tijdperk dat, meer in het bijzonder, het veld was uwer uitgebreide studiën. Kunst is vrijheid. Daarom den kunstenaar geen voorschrift gegeven, hem in geen keurslijf gewrongen, hem geen grenzen gesteld. De kunstenaar is de verkondiger van de poëtische gedachte, van het bezielde en bezielende pogen, van de liefelijke phantasie, die gevleugelde dochter des hemels. Hij arbeidt niet om een doel te bereiken, om te leeraren, te overtuigen, — veel minder om te keeren. De kunst zelve is hem middel en doel tevens. Het hoogste, het edelste, het reinste, dat hij kan, dat hij wil bereiken.
      „En daarom zijn wij u dankbaar voor hetgeen gij ons hebt gegeven — zooals gij het gegeven hebt, dat is, zooals het moest worden als uiting vau uw gemoedsleven, van uw wereldbeschouwing, van uw kunstrichting, van uw individualiteit, in éen woord: van uw genie.”