Algemeen Handelsblad/Jaargang 88/Nummer 28080/Avondblad/De St. Plechelmuskerk te Oldenzaal

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De St. Plechelmuskerk te Oldenzaal
Auteur(s) Anoniem
Datum Vrijdag 4 juni 1915
Titel De St. Plechelmuskerk te Oldenzaal
Krant Algemeen Handelsblad
Jg, nr 88, 28080
Editie, pg Avondblad, tweede blad, 6
Opmerkingen Joseph Cuypers vermeld als Jos. Cuypers
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

De St. Plechelmuskerk te Oldenzaal.

      Onze correspondent te Oldenzaal schrijft ons:
      Op Dinsdag 8 Juni a.s. zullen de leden der „Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis” te Oldenzaal vergaderen en daar o.m. ook een bezoek brengen aan een der bekendste, historische monumenten in Nederland de St. Plechelmuskerk, staande in het centrum dier stad op een ruim plein, dat vroeger tot kerkhof diende. De heer Jan Kalf noemt de St. Plechelmuskerk te Oldenzaal een der belangrijkste Romaansche kerken van heel ons land.
      Men meent, dat deze de derde kerk van Oldenzaal is: het eerste kerkje zou gesticht zijn door St. Plechelmus, de tweede, een grootere, door bisschop Bolderik, in 954 aan hem toegewijd en van de grootste, de tegenwoordige St. Plechelmuskerk, is de stichter niet met zekerheid bekend. Waarschijnlijk dagteekent ze in hoofdzaak uit de eerste helft der 12e eeuw; de toren, het zuidelijk zijschip en de koorsluiting zijn van lateren datum.
      De toren heeft gothische vormen en dateert alzoo uit het midden der 13e tot het eind der 14e eeuw. In den buitenmuur van het zuidelijken schip is een steen geplaatst met een opschrift, waarin 1480 wordt vermeld als het jaar, waarin de eerste steen van dien bouw is gelegd. In 1525 werd het priesterkoor uitgebouwd. Het bovengedeelte van den toren, dat – waarschijnlijk in 1492 – door brand werd vernield, is later – misschien in ’t begin der 17e eeuw –, hoewel veel lager dan oorspronkelijk, weer opgebouwd. De geheele kerk in van Bentheimer zandsteen, aangevoerd uit de steengroeven van Gildehaus en Bentheim (Pr.), opgetrokken. Tot steun van het middenschip der kerk zijn daarin zes reuzen-pilaren gebouwd van een mooie grijsachtigE steen. Aan den eenen kant is slechts een middenschipsmuur met lage bogen beneden en kleine vesters boven. De bogen tusschen de dikke pilaren naar den kant van het zuidelijken zijschip zijn hoog, terwijl dat schip nog ongeveer 1 M. hooger is dat het middenschip (van den vloer tot den top) van ’t gewelf resp. pl.m. 13.50 M. en 12.50 M.), terwijl de oude Noorder-zijbeuk slechts 5 M. hoog is.
      De Romaansche gedeelten der kerk: het middenschip, de noorderzijbeuk, het dwarspand met twee altaarnissen zijn gedekt door kruisgewelven van verbazend dikke steenblokken. Het zuidelijk zijschip heeft een baksteenen stergewelf en boven ’t koor is een straalgewelf, eveneens van baksteen. In ’t gothisch gedeelte van ’t koor bevindt zich een aardig gebeeldhouwd nisje, een zoogenaamd sacramentshuisje en daartegenover een veel eenvoudiger voor de handenwassching. Romaansch beeldhouwwerk is nog aanwezig bij de altaarnissen; twee wel wat onbeholpen gehouwen en naar elkaar gekeerde paarden en twee dito leeuwen. De kerk is niet sterk, doch over ’t algemeen gelijkmatig en goed verlicht.
      Volgens deskundigen moet deze kerk in haar zuiver-Romaanschen vorm een kruiskerk zijn geweest met een hoog middenschip en tweo lage zijbeuken, verder een dwarspand met twee halfrondo koortjes en een hoog priesterkoor. Onder het koor is vermoedelijk een crypte geweest. In dien tijd had de kerk een looden dak, doch geen toren. De sacristy dateert van 1525, doch is in 1894 geheel verbouwd.
      De St. Plechelmuskerk is in 1492 gedeeltelijk door brand vernield en behoorde van 1632 tot 1810, met uitzondering van de jaren 1672–1674 aan de Hervormden. In 1810 kregen de Katholieken door bemiddeling van koning Lodewijk Napoleon de kerk terug. In 1891 is men begonnen met een grondige restauratie er van onder beheer van den architect Jos. Cuypers te Amsterdam. Het Rijk gaf voor restauratiekosten een som van ƒ 12,500. Tot 1896 bezat de reusachtige toren vier klokken: de Maria van 1493, de St. Plechelmus van 1513, beide gegoten door G. van Wou, de doodenklok van 1530 en het misklokje van 1611, gegoten door Michael van Ochtrop. De St. Plechelmus heeft in genoemd jaar een wedergeboorte ondergaan door samensmelting met een niet in gebruik zijnde klok de St. Anna.
      Tot de kunstschatten dier kerk behooren: monstransen, reliquiehouders, misgewaden en kelken. De voornaamste zijn hiervan: een verguld zilveren monstrans in laat-gothischen stijl en de beroemde, door Jan Kalf genoemde chef-reliquaire met den schedel van den H. Plechelmus, buste, uit zilver gedreven en ten deele verguld; beide meesterstukken van l5e eeuwsche goudsmeedkunst. Van een ingezetene vernamen we, dat hij er bij tegenwoordig was geweest, toen een Engelsch antiquair aan een voor eenige jaren overleden pastoor dier kerk, rept. ½ millioen gulden en ƒ 150,000, voor deze beide kostbaarheden bood. Voorwaar geen gering bod!