Algemeen Handelsblad/Nummer 9242/Zondags-Editie/Fransche brieven

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Fransche brieven’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit het Algemeen Handelsblad, maandag 5 augustus 1861, Zondags-Editie, [p. 4]. Publiek domein.


[ 4 ]

FRANSCHE BRIEVEN.



PARIJS, 1 Augustus.

 «Men verhaalt mij dat in Madrid een geheel nieuw en buitengewoon vrijgevig stelsel ten opzigte van den verkoop van producten ingevoerd is, welk stelsel ook tot de voortbrengselen der drukpers zal worden uitgebreid. En vooruitgezet dat ik niet van de regering, noch van de geestelijkheid, noch van staatkunde, noch van de opera, noch van de andere schouwburgen, noch van iemand of iets ter wereld spreke, mag ik onder toezigt van twee of drie censoren alles laten drukken.”
 Maar Heer feuilleton-schrijver, denkt gij dan, dat wij Beaumarchais niet gelezen hebben? En bovendien, staat hetgeen gij ons daar vertelt niet aan het hoofd van elk nommer van den „Figaro”, het bekende orgaan van den Heer de Villemessant, wien men betwist Heer de Villemes sant te zijn?
 — Geachte lezeressen, ik heb voor hetgeen ik hierboven schreef, mijne goede gronden. Ik heb den geestigen uitval van den geestigen Beaumarchais aan het hoofd van mijnen brief geplaatst, om daardoor de verlegenheid aan te duiden, waarin ik mij met betrekking tot de keus van het door mij te behandelen onderwerp bevind. Niet dat het mij aan stof ontbreekt; maar men zegt dat de hooge policie bezig is huiszoekingen te doen bij de correspondenten, kronijk- en feuilletonschrijvers der buitenlandsche dagbladen, om daar naar voor den staat gevaarlijke Secrets de Polichinelle, naar opruijende geschriften en der policie onaangename cancans te zoeken.
 Mijn zoon kwam wel niet uit Claremont, maar voorzigtigheid is de moeder aller wijsheid en daarom wilde ik heden «relâche” maken om reden van.... om geldige redenen.
 Ik bedenk daar evenwel, dat wij het onder vier oogen toch wel wagen kunnen, en als mij soms iets »gevaarlijks voor de rust der wereld” mogt ontvallen, dan bedekken wij dat te zamen met den sluijer der christelijke liefde.
 Wat zoudt gij er overigens van zeggen, warnneer wij om aan de hooge censuur geene aanleiding te geven, den neus in onze gesprekken te steken, wanneer wij, zeg ik, van modes spraken?
 Modes, vrouwen, meisjes, dat zijn toch voorzeker geene gevaarlijke onderwerpen. Ik spreek hier natuurlijk niet van een gevaar, waaraan men zich maar al te bereidwillig blootstelt, — ik misken ook den maatschappelijken invloed der crinoline niet, evenmin als de magt en den invloed welke vrouwen altijd op den gang van zaken uitgeoefend hebben: Eva als Omphale, Aspasia als de Maintenon, — ja nog op het oogenblik spreekt men van zekere schoone Milaneesche dame, die....
 — In ’s hemels naam en in dien der censuur — chut!
 — Nu, daar hebben we ’t al, men kan dus zelfs niet eens gerust over modes spreken en toch had ik u ten minste gaarne gezegd wat het allernieuwste is in de badplaatsen, op het land, aan het meer, ’s avonds bij het uitgaan van den schouwburg, of ’s morgens, wanneer men »overvallen” wordt.
 — Spoedig dan!
 — Het is de »fichu à l’Impératrice.” Men zegt dat de gravin Walewska de uitvindster is, maar ik vermoed dat dit kraagje het product der zamenwerking van de gravin en Hare Majesteit zelve is. Men spreekt ook, zoo als gij weet, van eenen roman....
 Enfin, de fichu Impératrice bestaat uit eene dubbele kraag van cachimir met fluweel en zijde afgezet, waarvan de punten tot aan de heupen reiken. Een dezer punten blijft op den rug hangen, terwijl de andere over het hoofd gehaald wordt; de beide voorste einden worden onder de kin vastgeknoopt. Deze »fichu” moet bijzonder goed staan bij zware krullen, of digt opgerold haar en prins Metternich....
 — Chut, chut! Tot de orde!
 — Maar waarover zal ik dan spreken, zonder gevaar te loopen dat men mij elk oogenblik in de rede valt, alsof ik een Boheemsch afgevaardigde bij den rijksraad te Weenen ware? Laten wij over de edele kookkunst spreken, daarin zal toch wel niets »gevaarlijks” steken.
 Weet gij b. v. wat in de hooge adellijke kringen tegenwoordig het geregt »en vogue” is?
 Rijn-karpers, »sauce Chambord.”
 — Maar heer feuilletonschrijver, gij, de voorzigtige man bij uitnemendheid, wilt dan met alle geweld de blikken en vingers van de heilige Hermandad tot u trekken? Gij zult toch weten dat »Chambord,” na Claremont en Orleans het vogelvrij verklaarde woord in den dictionnaire der keizerlijke censuur is. Wij willen niets van uwen karper-ragout à la »God zij met ons” weten; spreek ons liever over iets anders minder gevaarlijks.
 — Goed! Laat ons over geslotene huwelijken spreken. Het huwelijk is eene zedelijke en eerzame instelling. Zoowel het libel als het Code-Napoleon keuren den echt goed; trouwen is een bewijs van goeden burgerzin en in elk geval van »eerzame bedoelingen.” Wij willen dus van trouwen spreken.
 Kent gij Mlle. Zina, het sieraad van het ballet der grooto opera? Mlle. Zina en Mr. Mérante, insgelijks aan de opera verbonden, traden in den heiligen huwelijken staat, of liever zij zweefden daarin, want wanneer ooit een paar snelvoetig genoeg geweest is, om over alle zwarigheden in dit ondermaansche tranendal heen te zweven, waar brood en zijden japonnen , woning en huurrijtuig met elken dag duurder worden, dan is het voorzeker dit paar. De speelnoot der bruid was Mlle. Emma Livry, »de Sylphide,” „de vlinder” en hij die haar beide zag, moest bekennen: »Entre les deux mon coeur balance.” Het bruiloftsfeest is op grooten voet gevierd. Na het diner nam het bal een aanvang, dat eerst ten vijf ure des morgens eindigde.
 Dansers en danseressen van het ballet, die tot vijf ure in den morgen dansen, om zich te vermaken, — is dat niet een psychologisch raadsel?
 Ik begrijp dat Napoleon III het politieke spel moede, »het leven van Cesar” beschrijft; ik begrijp evenzeer dat de schoone Keizerin Eugenie, zich door een »Roman” voor de moeijelijkheden en verdrietelijkheden aan het bezit van de helft des troons verbonden tracht schadeloos te stellen; ik vind er niets vreemds in, dat financiers zoo „entre deux bourses,” brochures en tooneelspelen schrijven en dat journalisten, ambtenaren, letterkundigen aan de beurs speculeren, er ligt niets onverklaarbaars in, dat eene zangeres in dansen en eene danseres in zingen genoegen vindt, het gaat mijne bevatting niet te boven, dat een winkelbediende des Zondags den „Sportman” uithangt of dat eene lorette ter kerke gaat, maar onbegrijpelijk is het mij, dat dansers en danseuses van beroep, van den avond tot den morgen dansen kunnen — voor hun pleizier!
 Enfin! de bruiloft was prachtig, iedereen vermaakte er zich, en wanneer Mlle. Zina eene moeder heeft (want de algemeene opinie, dat danseuses en modistes in Parijs geene moeders hebben , schijnt mij toe een vooroordeel te zijn) zoo zal deze zich over het gelukkige lagchen van haar lieftallig dochtertje en harer schoone vriendinnen zeker verheugd hebben.
 Maar helaas! niet alle ouders verheugen zich in het huwelijk hunner kinderen. Daar hebt gij bij voorbeeld het huwelijk van den zoon van een hoog ambtenaar bij het financiewezen, die den roman, welke hij met Mlle. Valérie van de „Comédie Française” te Parijs begonnen is, met een huwelijk in Duitschland besloot. De jong gehuwden gaven vrienden en vriendinnen van deze voor hen zoo heugelijke gebeurtenis kennis, en vrienden en vriendinnen zonden hun gelukwenschen — de heer minister Fould echter....
 — Tot de orde! tot de orde! Denk toch om de censuur en de hooge policie.
 — Alweder goed! Dus nogmaals van iets anders. Laten wij van afbreken spreken, daar kan toch wel niets kwaad in steken, want het spreekwoord zegt:
 »Was geschieht vor allen Leuten, kann ja Schlimmes niet bedeuten.”
 Wel is waar vindt men ook menschen, die van meening zijn dat het niet overbodig ware ook eenige oude huizen en straten in Parijs te laten staan en die het daarentegen geheel en al overbodig vinden, dat men b.v. den Boulevard de Malesherbes ten koste van verscheidene millioenen herstelt; men vindt wel is waar lieden, die in hunne verstoktheid betreuren dat de schoone hotels waaraan historische herinneringen verbonden zijn, als van de Mareillacs, Martainvilles, Lobans, Laroche Foucaulds, enz., voor de huizen in den stijl des Heeren Hausmann de wijk moeten nemen, ten einde den boulevard St. Germain te voltooijen, wel is waar vindt men menschen die luidkeels verkondigen, dat de tuin van het Luxemburg verknoeid en de beroemde Medicis-fontein bedorven is, enz. maar de Heer Hausmann weet dat alles beter.
 In de Tuilerien heeft men met het afbreken van het Pavillon de Flore en der daaraangrenzende gaanderij een begin gemaakt; het overige zal nu wel volgen. Het is nu alleen eene question de temps et d’argent.
 Men verhaalt dat in de kelders van het pavillioen twaalf millioen in baren gevonden is, welke Louis Philippe, toen hij genoodzaakt was te vlugten, vergeten heeft. Ik geloof er niet veel van.
 Bij den verzoenenden geest echter waarmede men in de Tuilerien bezield is, zal men den Orleans ook deze nalatigheid vergeven en...
 — Nogmaals Orleans? Iets anders, gij weet toch...
 — Het is wel; maar dan blijft mij niets over dan u van het tooneel en de „inname van Peking” te spreken.
 Ik behoef over dit onderwerp slechts de verschillende artikelen van de Parijssche bladen na te lezen, om over costumes, decoratien en ballet (want het stuk zelf heeft weinig te beduiden) een lang artikel te leveren, dat het midden houdt tusschen lof en berisping en dat ik u dan voor eigen fabrikaat zou kunnen opdisschen. Maar ik wil opregt zijn en u openhartig bekennen, dat ik de „Inname van Peking,” den droom van den opium-rooker, den marteldood van den correspondent van den Times en al de pracht en heerlijkheid, welke de Heer Hostein ontvouwd heeft, nog niet gezien heb, want de warmte is te hevig om van 7 tot 12 uur in een gloeijenden oven een zweetbad te nemen, hetgeen men in Parijs gewoon is een bezoek aan een schouwburg te noemen.
 Ziet gij, het is tegenwoordig zoo warm, alsof het eiland Sardinie, met zijne 40° temperatuur ook reeds bij Frankrijk ware ingelijfd, en ten gevolge daarvan....
 — Al weder over de politiek! Heer Feuilleton-schrijver, gij zijt onverbeterlijk!
 — Welnu, als het mij niet eens veroorloofd is, rustig over het weder en de warmte te spreken, dan zwijg ik liever geheel en al en zeg u dus: Vaarwel!