Anoniem/1928

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1928. De bouw van het Olympisch Stadion.
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 21 oktober 1926
Titel 1928. De bouw van het Olympisch Stadion.
Krant Nieuwe Rotterdamsche Courant
Jg, nr 83, 292
Editie, pg Avondblad, A, 5
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

1928.


De bouw van het Olympisch Stadion.


Een rondgang over het terrein met architect Jan Wils.
De stadiongrachten gereed. Al of niet een permanent zwemstadion?
De gebouwen voor krachtsport en schermen zijn niet te vereenigen.
Wat vóór 1927 gereed moet zijn.


      Onze Sportcorrespondent te Amsterdam schrijft:
      We zijn dezer dagen in gezelschap van den architect, den heer Jan Wils, eens een kijkje gaan nemen op het groote werk aan den Amstelveensche Weg waarop de belangstelling van zoo velen in binnen- en buitenland gevestigd is. Aanstonds deden we een merkwaardige ontdekking. Pas geleden bezochten we nog ’t oude Stadion en zagen toen van den Amstelveenschen Weg af dat voor het terrein langs, ongeveer evenwijdig loopende aan de Amstelveensche Weg, een groote schutting gebouwd werd. Maar de zijkanten bleven toch open en zoo leek ons die schutting voor ’t oogenblik allesbehalve doelmatig. Hoe groot was nu dezer dagen onze verbazing toen bleek dat daar in enkele weken tijds de kanalen rondom het geheele stadioncomplex (behalve dan aan de lengtezijde grenzend aan den Amstelveenschen Weg) uit den grond gestampt waren. Zoo ligt thans heel het uitgestrekte terrein gesepareerd. Aan drie zijden is het door een breed kanaal omgeven en aan de voorzijde staat de schutting.
      Komt men door een deur in deze schutting op de terreinen, waar dus al die Olympische heerlijkheden verrijzen moeten, dan krijgt men niet meer den indruk, zooals tot dusverre het geval was, van een enorme zandvlakte, doch dan ziet men reeds duidelijk omtrekken en zoodanige fundamenteeringen, dat men als leek zich reeds een begrip vormen kan van hetgeen daar in wording is en natuurlijk met een gids als de bouwmeester van dit Olympische reuzenwerk wordt de geheele situatie eerst recht duidelijk.
      Eerst inspecteerden we nog even de kaarten en teekeningen in het houten gebouwtje, dat daar midden op het terrein gebouwd is en van waar de architect en zijn staf een overzicht over ’t geheele werk hebben. En toen kregen we van een verheven punt een centraal overzicht.
      Aan de eene zijde was alles nog vrij kaal. Water stond nog hier en daar als gevolg van de vele regens in plassen tusschen het zandvlak. De grootste plas zat vol meeuwen. Precies daar, zeide de architect, waar de eerehof komen moet! Thans stoeiden de meeuwen er nog; straks in 1928 zullen daar de leiders der internationale sportwereld, staatshoofden en ministers hun entrée doen.
      Het is op die hoogte dat de neventerreinen komen moeten, o.a. de tennisbanen en het groote cricketveld. Daar is alles nog vlak zand, doch daarvoor is ook nog tijd genoeg.
      Echter, aan de andere zijde, schuin links tegenover het oude stadion, daar is het werk in vollen gang. Met man en macht wordt het heiwerk verricht rondom het stadion zelf, want daar komt de wieletbaan en worden de groote tribunes en amphitheaters opgetrokken, de Marathonpoort, enz. Palen van 13 meter lengte verdwijnen er als lucifers in den grond. Het is een zeer interessante bedrijvigheid.
      De aannemer van het geheele werk blijkt een man te zijn, die met zijn tijd meegaat. De nieuwste machinerieën zijn hier aangewend. Overal loopen electrische leidingen voor pompen en machinerieën en het is mogelijk door al die moderne machines, dat het werk van dag tot dag zichtbaar opschiet, terwijl toch nog slechts een 60 à 70 man aan ’t werk zijn.
      We passeerden de plaats voor de Marathon-poort, waarvoor aan beide kanten een gebouwtje komen moet, het eene bestemd voor de krachtsport, het andere voor het schermen.
      Ter bezuiniging, was in een der bladen in ons land het denkbeeld geopperd deze gebouwen te combineeren. Daar kan echter geen sprake van zijn, omdat de eischen totaal verschillen.
      Voor krachtsport is een kleine ruimte voor de sport zelve noodig en moet op een zeer talrijk publiek gerekend worden. Voor schermen is de verhouding precies omgekeerd; daar is een ruime zaal noodig en behoeft niet op veel publiek gerekend te worden. De eischen der internationale sportunies, dus de voorschriften van het Internationaal Olympisch Comité, zouden door deze samenvoeging niet bevredigd kunnen worden. Het ware een zuinigheid, die de wijsheid bedriegt.
      Aan de westzijde van het stadioncomplex is de groote losplaats voor materialen. Daarom is zoo’n haast gemaakt met de kanalen om ’t stadion, want nu varen zware, volgeladen schepen met heipalen, ijzeren stangen voor de betonwerken enz. via de Schinkel ’t verbindingskanaaltje (ca. 260 meter lang) tusschen Schinkel en stadionkanaal, onder de spoorbrug van het lijntje naar Aalsmeer door, en dan direct op het terrein gelost worden op elk punt waar men wil.
      Zooals bekend, komt in dit stadionkanaal aan de Zuidzijde op de Zuidwestelijke punt het zwemstadion.
      Het is over dit zwemstadion, dat nog ernstig gedelibereerd wordt. Het komt niet aan de binnenzijde van het stadionkanaal, doch aan den buitenkant, dus het valt buiten het eigenlijke stadion-complex, hetwelk door de Maatschappij Het Nederlandsch Sportpark na 1928 in beheer genomen wordt. Directeur Jan van den Berg wordt dus na ons Olympisch jaar in geen geval opper-baddirecteur!
      Zooals de zaken thans staan, is voor dit zwemstadion ƒ 30,000 uitgetrokken. Vier dagen zullen de Olympische zwemmatadoren in deze water-arena onderduiken en dan zal ze weer dichtgeplempt worden en zijn niet alleen de 30 mille verdwenen, doch Amsterdam is dan tevens de kans op een schitterende zweminrichting op uiterst gunstige ligging definitief kwijt.
      Maakt men echter aanstonds een permanente inrichting, dan kost dat 60 à 70 mille meer, maar dan heeft Amsterdam ook voor altijd een prachtig openluchtbad, waar hier innig behoefte aan is, eerst recht nu Obelt al verdwenen is. We spraken zoo even van zuinigheid, die de wijsheid bedriegt, doch dat zou eerst recht ’t geval zijn als de gemeente Amsterdam hier niet ingreep en den bouw van een permanent zwemstadion gelastte. Van het Olympisch Comité kan men dit in de gegeven omstandigheden niet verwachten. Dat zogt voor de Olympische Spelen. Doch de gemeente moet juist ’t oog gericht hebben op hetgeen na 1928 uit dit alles ontstaat en dan is een dergelijk zwemstadion voor Amsterdam feitelijk niet te ontberen.
      Komt alles op tijd klaar? vroegen we den heer Wils.
      Zijn antwoord was zeer beslist bevestigend.
      Voor den aanvang van het geheele werk is er een tijdschema gemaakt. Daarop staat aangegeven hoe ver in October ’t werk gevorderd moet zijn. Duidelijk bleek ons hoe men precies bij is en hoe dus de tijd die verloren is gegaan door de staking geheel in gehaald is. Hoe ver zullen we met Nieuwjaar zijn?
      Als 1928 in ’t land gekomen is dan.... zit de heele heifundeering in den grond, dan is de drainage van ’t geheele terrein (hoofdkampplaats, cricketterrein enz.) gereed, dan is men een heel eind op streek met de betonwerken van de fundeering, dan.... zullen vele boomen geplant zijn die in 1918 al schaduw afwerpen moeten, dan.... is de tunnel gereed die de verbinding vormt tusschen het hoofdspeelterrein en de tribunes onder de wielerbaan door, dan is ook de oevervoorziening van ’t Stadionkanaal gereed met bazaltmuren etc. En buiten ’t Stadion gaat de gemeente ook in vlot tempo verder.
      Met Januari zal het enorme plein tusschen oude en nieuwe Stadion en zal eveens de Amstelveensche Weg grootendeels gereed zijn en krijgt men dus een volledig beeld hoe ’t daar buiten de poorten (voor ’t oogenblik spreekt men juister van buiten de schutting!) worden zal.
      Tenslotte nog enkele opmerkingen.
      Met den bouw van het Zwemstadion behoeft niet voor ’t Voorjaar 1927 begonnen te worden. Men heeft dus nog den tijd om grondig te overleggen of men ƒ 30,000 voor een gebruik van 4 dagen weg gooien wil of voor ca. ½ ton méér zich van ’t bezit van een model zweminrichting verzekeren wil van blijvende waarde voor de geheele burgerij. De verbinding van de Stadiongrachten met den Schinkel blijft bestaan zoodat de Stadion-jachthaven en ’t restaurant met zijn terrassen aan het water direct contact hebben met den Schinkel en dus met de binnenwateren om en in Amsterdam.
      Daarentegen wordt aan de Noordzijde de Stadiongracht niet doorgetrokken naar het Amstelkanaal en aan de Zuidzijde evenmin. Er komt dus voorloopig géén brug over den Amstelveensche Weg, doch deze weg blijft voorloopig intact. En de directe verbinding van Amstel en Schinkel via ’t Amstelkanaal en de stadiongrachten komt in de eersten jaren nog niet tot stand. Het wachten is op de sluizen in den Schinkel en ’r zal wel 1930 worden eer men daarmede gereed kan zijn. De Stadiongracht aan de Westelijke lengtezijde van ’t Stadioncomplex loopt langs de spoorlijn Amsterdam–Aalsmeer. Tusschen de spoorlijn en den Schinkel bevindt zich nog een ca. 200 Meter breede strook grond, die definitief onbebouwd gelaten wordt en ook voor sportterreinen bestemd blijft. Daar bevindt zich ook de gemeentelijke badinrichting in den Schinkel die blijkens de ƒ 200,000 die voor verbetering dezer inrichting uitgetrokken zijn, in elk geval gehandhaafd blijft. Tenslotte zijn nog vermeld dat de gemeente Amsterdam nog geen bestemming heeft voor de twee groote hoeken die zij hier voor zich reserveerde.
      Het is het terrein tusschen het Willemsparkstation en de Noordelijke punt van het Stadion-complex, waar het tenniscourt aangelegd worden zal en voorts de vooruitspringende hoek van het groote plein tusschen het oude en het nieuwe Stadion. Op deze beide punten mogen geen gewone huizen gebouwd worden; daar moet iets monumentaals verrijzen, passend in deze sportstad, die in wording is aan de Zuidzijde van onze metropool.

Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Anoniem/1928&oldid=36665"