Anoniem/Dadaïsme/2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dadaïsme
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 13 januari 1923
Titel Dadaïsme
Krant Nieuwe Rotterdamsche Courant
Jg, nr 80, 12
Editie, pg Avondblad B, 1
Opmerkingen Nelly van Moorsel vermeld als Pétro van Doesburg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Dadaïsme op Wikipedia

Dadaïsme.


      Men schrijft ons uit Haarlem:
      In Maart 1920 heb ik een dadaïstische uitvoering bijgewoond te Parijs. De gansche kunstwereld was present en nooit zal ik het tumult vergeten toen Tristan Tzara, de voorman der Fransche dadaïsten op het tooneel verscheen met een bordje voor de borst, bengelend aan een touwtje, waarop met groote zwarte letters zijn naam geteekend stond en achter een keukenstoel aan welks leuning een handklaxon was bevestigd, zijn volmaakt onsamenhangende, onverstaanber rede begon, begeleid met het blaffend geluid van het auto-signaal. Ook was er een amusante tooneelvertooning. Alle spelers waren in kartonnen kubussen verpakt in verschillende felle kleuren, op de plaats van den mond was een kartonnen toeter. Maar ’t vermakelijkst was een artist in een waschmand die telkens als hij wat te zeggen moest als een duivel in een doosje het deksel opklapte en weer neersloeg. Er was ook eene „femme enceinte” in ’t stuk die een bébé-pop als voorschoot had aangebonden; er was.... Laat ik u alleen dit zeggen dat toen men handgemeen werd het pas recht goed werd!
      Wij Hollanders zijn kalmer van aard. Na het welgeslaagde Haagsche tumult, dat zich bepaalde tot wat diergeluiden en gefluit, heeft ook Haarlem een vroolijken avond beleefd, daar zich een kleine comité van kunstenaren had gevormd om het optreden van den „grossen Merz-Dada” Kurt Schwitters uit Hannover, bijgestaan door mevrouw Pétro van Doesburg als pianiste; Théo van Doesburg als inleider en Vilmos Huszar als vertooner eener „dansbeelding” mogelijk te maken.
      Het begon al goed! De zaal van Rosehage was zoodanig danig overvuld dat de politie de helft der bezoekers moest verwijderen en drommen die nog niet binnen waren, verspreidde. Na een half uur onrustig wachten, waarbij men een zekere electrische spanning in de zaal kon bemerken, welke nu en dan in korte geluids-vonken opspatte (iemand had een politiefluit, een ander ’t bekende blaffende hondje, een derde deed een krolschen kater na) kwam uiteindelijk mijnheer Van Doesburg aan het woord. Als variant op een bekenden Engelschen versregel zou men kunnen zeggen.. „He was a phantom of delight, when first he gleamed upon my sight; a lovely apparition sent, to be a moment’s ornament”, want waarlijk, het was de moeite waard hem te zien, meer dan hem te hooren want dit was heusch volmaakt onbelangrijk. Daar waren, om van onderen te beginnen, glimmende lakschoenen en witte sokken, daar was het zwarte pak en het zwarte hemd (dat mij aan de fascisten deed denken, zooals ik dezen bij den overval van ’t raadhuis in Bozen zag) en net als in een fotografisch negatief was daarop de gebreide stropdas van een smetteloos wit. Fier troonde hierop het al te alledaagsche hoofd van den spreker. Er werden lampen ontstoken en lampen gedoofd ten einde zijlicht te verkrijgen en aldus den kop ietwat meer teekening te geven maar dat lukte niet. En dan was er ten slotte net als bij Ewers.... de monocle. Wat hij vertelde doet niets ter zake want het Dadaïsme is niets. „Rien, rien, rien!”
      Daar zal voorzeker Kurt Schwitters het niet mee eens zijn. Deze doodeenvoudige kerel in zijn gewone huisjasje heeft een verhaal voorgelezen van een kachel en een gesprek van een roode, blauwe en groene denkbeeldige figuur, vol fijnen humor en ook meesterlijk voorgedragen.
      Wanneer Schwitters zijn „Kinder-harfe” rondzwaait, een als een ratel ronddraaiende koker, waarin metalen klank-tongen worden aangeslagen en daar uit een ragfijn zingend geluid ontstaat in begeleiding van een zijner dadaistische gedichten, die hij gevoelig en knap weet te zeggen, dan is er meer dan het „du ridicule au sublime il n’y a qu’un pas”. Maar ook het belachelijke wil Schwitters geven en slaagt er wonderwel in, hij zeide het ook in zijn verklaring van het dadaisme, welke in hoofdzaak het beginsel inhield, dat de lui nog heusch zoo gek niet zijn als men denkt.
      Tegenover de zwaartillendheid waarin wij Hollanders zoo knap zijn; tegenover de zelfoverschatting welke onzen kunstenaren niet vreemd is; tegenover de hersengymnastiek der filosofen; het romantisch verhalen der litteratoren en de lyriek der dichters; het naturalisme der beeldende kunstenaren en de klankzwelgerijen der musici maken de dadaïsten front met het felste en scherpste wapen dat bestaat, het wapen van den lach. De mensch als „animal rieur”, zooals Arsène Alexandre hem eenmaal karakteriseerde, vindt in dien spot jolijt. Dat verklaart dan ook het succes bij dit optreden waarvan het belachelijkste feit is dat sommigen het au sérieux nemen.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • K. Schippers (1974) Holland Dada, Amsterdam: Querido, pp. 77-78.