Anoniem/Dada/3

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dada
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 1 februari 1923
Titel Dada
Krant Nieuwe Rotterdamsche Courant
Jg, nr 80, 31
Editie, pg Ochtendblad A, p. 1
NRC 1923-02-01 ochtend A p 1.jpg
Opmerkingen Bevat citaten van Theo van Doesburg en Kurt Schwitters
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

Dada.


      Rotterdam heeft gisteravond in den salon van den Doele zijn dada-avond gehad. De zaal was geheel gevuld, zoodat er misschien ongeveer 700 menschen naar deze „vertooning” waren gekomen, van wie een groot gedeelte bevooroordeeld, tuk op lawaai en gaarne gebruik makend van de zeldzame gelegenheid, eigen geestigheid in het publiek los te laten, niet anders heeft gedaan dan voet geven aan de bewering, dat alles dada is. Het optreden van deze, meerendeels jonge menschen was kinderachtig, geestloos, hinderlijk en althans tegenover mevr. van Doesburg getuigende van gebrek aan beschaving. Als verontschuldiging moge dienen, dat een kwibus als Kurt Schwitters een buitengewone gave heeft om de meest goedwillende verzameling menschen uit den band te laten springen.
      Er moge aan deze avonden eigenlijk reeds te veel aandacht zijn besteed, het lijkt toch niet ongewenscht, bij dien in de eigen stad nog eens stil te staan, ook omdat toch inderdaad dit alles volstrekt niet zoo gek is voor dengene, die ernstig en met aandacht wil luisteren.
      Kurt Schwitters begon met te vertellen, dat „dada das Wesen unserer Zeit ist”, dat er reusachtige spanning is tengevolge van enorme tegenstellingen „die wij u duidelijk zullen maken”. Dan komt Théo van Doesburg mededeelingen doen, die niet geschikt zijn, de ontlading van de spanning, die over de zaal ligt, tegen te houden. Als hij met een ernstig gezicht vertelt: „de dooden richten zich op in hun graven en beginnen te grijnslachen”, en in dien trant doorgaat, dan is het geen wonder, dat er in de donker gemaakte zaal een lawaai, gefluit en gebler ontstaat, dat tot een orkaan aanzwelt. Als het weer wat kalmer is geworden, komt hij terug, maar hij kraamt zulk een krankzinnigen onzin uit, dat het publiek moeite heeft rustig te blijven. In onzen tijd, aldus de dadaïst van Doesburg, is de hoogste spanning der contrasten bereikt. Men kan dat met hem eens zijn en het lijkt geenszins zoo mal, als hij beweert, dat dat tot uiting komt in den dollar en de mark, maar hij doet zijn eigen zaak schade met te zeggen, dat dit ook tot uiting komt in de onmogelijkheid om nonsens van geest te onderscheiden. „Alles is dada. Slechts de dadaïsten zijn niet dada. Wanneer immers de dadaïsten dadaïsten waren, dan zouden de dadaïsten geen dadaïsten zijn”. Het publiek brult van plezier. Niettemin is deze laatste bewering weer lang niet zoo gek als zij lijkt. Om dada nader te definieeren geeft van Doesburg dadasophische aphorismen, waarbij hij de onvriendelijkheid debiteert: „Geestelijke ondervoeding is de kwaal der vetten”.
      Dan komt Schwitters voordragen: „An Anna Blume”. „Weiszt du es Anna, weizt du es schon, man kann dich auch von hinten lesen”. „Das Weib, entzückt durch seine Beine.... Ich hab’ keine”. Niemand zal het den aanwezigen kwalijk nemen, dat zij daarvan overstuur geraakten, en als de heer Kurt vervolgens allerlei zonderlinge geluiden maakt, op den bovenkant van den vleugel trommelt, brult alsof de brandspuit moet uitrukken, dan ontketent hij natuurlijk opnieuw een helsch kabaal.
      Zoo ging het door. Het zou te ver voeren en het is onnodig, het allemaal nog eens in zijzonderheden te vertellen, maar zeker is, dat Théo van Doesburg verzen voordroeg, die allerminst te verwerpen waren. „De misdadiger” was volstrekt geen onzin; het trappelen en den snellen gang van een paard gaf hij goed; „de Trom” had inhoud en werd goed gezegd, en het was dan ook jammer, dat de indruk daarvan verloren ging door onzin als b.v. een x-beeld, dat zoo eindigt: „de scherven van de kosmos vind ik in mijn thee.” Het pleit niet voor mevr. van Doesburg. Van Nelle’s thee zij haar aanbevolen. Wat wel voor haar pleit, was haar pianospel, waarin eenige malen veel te waardeeren viel. Zoo speelde zij de Dada-ragtime van Eric Satie heel goed, pétillant en met veel charme. En zoo was er niets mals aan het melodrama van haar en Kurt Schwitters: Es fiel ein Reif in der Frühlingsnacht.
      En wat tevens te waardeeren viel was de gezonde, stevige kalmte waarmee dit drietal weerstand bood aan de gewilde lawaaierigheid van zijn toehoorders, die het dan ook eenige malen glad aflegden. Dat lawaai was na de pauze van dien aard, dat de politie een aantal jongelieden uit de zaal moest zetten en dat de hoofdcommissaris op het podium moest komen om den Rotterdammers aan het verstand te brengen, dat men ook personen, met wie men het niet eens is, op een beschaafde manier kan bejegenen.
      En wat deze dadaïsten eigenlijk willen? Dat is ons niet duidelijk. Wel duidelijk was, dat zoowel Théo van Doesburg als Kurt Schwitters herhaaldelijk zelf moeite hadden, hun lachen in te houden. Het is dan ook de vraag, wie er op dezen avonden meer plezier hebben, deze drie dadaïsten of de toehoorders die zich tot dwaasheden laten verleiden, die meestal nog meer zouteloos zijn dan die van de voordragers zelf.