Anoniem/De Bouwkwestie in den Raad

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Bouwkwestie in den Raad
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 25 september 1920
Titel De Bouwkwestie in den Raad
Krant Het Vaderland
Jg, nr 52, 266
Editie, pg Avondblad A, 2
Opmerkingen Hendrik Petrus Berlage vermeld als Berlage
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

De Bouwkwestie in den Raad


      Maandag zal de Raad de kwestie van het gebouw der Handel-Maatschappij weder ter hand nemen. In ons blad van heden kan hij voor het debat, dat stellig heropend zal worden, al ware het slechts om de voorstellers van de tweede motie de gelegenheid te geven, gelijk die der eerste motie, die toe te lichten, overvloedig stof vinden.
      Drie architekten geven hun oordeel, onze bouwkundige medewerker Jan Wils, A. S. in het Bouwkundig Weekblad (het orgaan van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst — Bond van Nederlandsche Architecten) en V. in de Bouwwereld. Dan is er een brief van den ingenieur Tutein Nolthenius en het verslag van een vergadering van bestuursleden van de Vereeniging voor Handel, enz. en van nog eenige ongenoemde vereenigingen.
      Het ontwerp van de heeren van Nieukerken is alleen den heer Nolthenius sympathiek. V. in de Bouwwereld en de heeren van Handel, enz. keuren het „terrorisme” van de Schoonheidscommissie af, A. S. in het Bouwkundig Weekblad wil het gezag van de Schoonheidscommissie hoog houden en pleit voor de motie Vrijenhoek c. s. — trouwens, V. zou langs wettelijken weg de Schoonheidscommissies meer macht willen geven — en Jan Wils zet eenige kromme redeneeringen, in en buiten den Raad gehoord, recht.
      Terloops een opmerking over een kleinigheid in het betoog van den heer Wils: de Schoonheidscommissie heeft geen dictatorische macht, zij adviseert B. en W.
      Wij voor ons hopen, dat de Raad zal inzien, dat hij niet in de plaats van de Schoonheidscommissie kan treden. De motie van den heer Vrijenhoek c. s. kan den weg openen om tot een oplossing te komen. Alleen zou de vorm, dunkt ons, in zooverre moeten worden gewijzigd, dat de Raad, „van oordeel, dat de bebouwing van het terrein op den hoek van Langen Vijverberg (en Kneuterdijk) uit een stadsbouwkundig oogpunt aan bijzondere eischen zal moeten beantwoorden”, niet „besluit”, maar: B. en W. verzoekt, „de wijze van bebouwing aan het oordeel van de gereorganiseerde Schoonheidscommissie te onderwerpen en daarbij het inzicht in te winnen van den ontwerper van het uitbreidingsplan der gemeente”, d. i. van den heer Berlage. Immers zijn het ten slotte B. en W., die moeten beslissen. Misschien zou ’t de motie voor sommige leden van den Raad voor wie de architekt Berlage nog een aesthetische boeman is, aannemelijker maken, als het slot van de motie werd geschrapt. B. en W. zullen toch wel het oordeel van den heer Berlage inwinnen, als zij het niet reeds hebben gedaan.
      Wij hebben nog hoop, dat de Raadsleden hun aesthetische beschouwingen ter zijde zullen laten en niet meer zullen laten wegen, omdat het hun, of althans het meerendeel hunner, wel gebleken zal zijn, op welke verkeerde paden, die het debat voeren.
      Zoo herinneren wij ons nog iets uit de rede van den heer Koster, die op een oogenblik met grooten nadruk een argument aanvoerde, dat met het tegenovergestelde bewees van wat hij het wou laten bewijzen.
      Na de verwijzing van de Schoonheidscommissie naar „de omgeving van hoofdzakelijk aristocratische 18e eeuwsche huizen” te hebben weerlegd met de opsomming van eenige niet-18e eeuwsche huizen, die aan den Kneuterdijk staan of zullen verrijzen, terwijl de Schoonheidscommissie alleen van die huizen aan den Langen Vijverberg spreekt, ging hij, met een ernstigen klank in zijn stem, die rhetorisch zooveel indruk kan maken, in deze trant voort: Maar, mijnheer de voorzitter, waar gaan we heen? Onze stad is toch geen museum. Wij kunnen toch maar niet aldoor aristocratische 18e eeuwsche huizen bouwen. Wij zijn een moderne stad, wij gaan vooruit en het nieuwe leven moet zich in onze nieuwe gebouwen uiten......
      En daarom terug naar 17e eeuwsche motieven, naar de Renaissance, die den heer Verburg sympathiek is! Het was zeer grappig.
      Laten we, om alle misverstanden te voorkomen, herhalen wat we al eerder hebben gezegd, nl., dat een gebouw, om behoorlijk te staan in een omgeving van 18e eeuwsche huizen, volstrekt niet in dien 18en eeuwschen stijl gebouwd hoeft te worden. Ook een 17e eeuwsch huis zou er bij kunnen passen. De Schoonheidscommissie zegt alleen, dat dit ontwerp er niet bij past.
      Wij zullen hier niet veel meer aan toevoegen. Moge de Raad inzien, dat hij niet geroepen is om over deze schoonheidskwestie te oordeelen en dat het niet voldoende is te zeggen, dat de aesthetische verdienste van het ontwerp der heeren van Nieukerken en de voorliefde voor dezen of genen stijl er buiten moet blijven, maar dat dergelijke overwegingen inderdaad geen invloed op de stemming mogen hebben. En moge de Raad wel bedenken, dat een afkeuring van dit oordeel der Schoonheidscommissie het heele streven naar een schoone stad voor langen tijd zal verlammen. Jan Wils en A. S. hebben dat duidelijk laten uitkomen.