Anoniem/Ferdinand de Lesseps

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ferdinand de Lesseps
Auteur(s) Anoniem
Datum Dinsdag 11 december 1894
Titel Ferdinand de Lesseps†
Krant Algemeen Handelsblad
Jg, nr 67, 20653
Editie, pg Avondblad, 1
Opmerkingen Artikel naar aanleiding van het overlijden van F. de Lesseps op 7 december 1894.
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over Ferdinand de Lesseps op Wikipedia

Ferdinand De Lesseps†[bewerken]

Parijs, 9 Dec. (Part. Corr.)

Ruim 40 jaar geleden, den 15 September 1854, kwam op den middag de postbode aan de poort van een onaanzienlijk kasteel in het hertogdom Berry gelegen, dat in de omgeving bekend was als het kasteel van Agnes Sorel. Die postbode die meerdere brieven en couranten bracht, het was de post uit Parijs die het wereldnieuws in het afgelegen dal kwam berichten, vond de poort open en het kasteel in opschudding. Men was bezig te bouwen, tal van werklieden liepen heen en weer, en tusschen hen op de tweede verdieping van het kasteel bezig zijne bevelen te geven omtrent de wijze waarop de geprojecteerde nieuwe verdieping op de oude grondslagen zou worden opgetrokken, was de beheerder van dit goed. Hij liet zich door een der werklui het pakket brieven en couranten brengen en al pratende sloeg hij een oog in de bladen. Plotseling viel zijne aandacht op een nieuwsbericht en werklieden en werk in de steek latend, snelde hij naar de eenige kamer die nog niet zoo overhoop gehaald was dat men er geen plaats voor het schrijven van een brief kon vinden.

Die man van middelmatige lengte en van een zeer krachtigen lichaamsbouw reeds grijzend van haar en knevel, had iets bijzonder jeugdigs in den blik die uit zijn doordringende en toch goedige oogen straalden, zoodat niemand hem zijne bijna negen-en-veertig jaren gegeven had. Hij was in diepen rouw, en alleen het roset van het Legioen van Eer stak bij zijne zwarte kleeding af. Op dat oogenblik stond echter zijn gezicht geenszins bedroefd, en zichtbaar was het niet aan de eigenaren van het kasteel, mevrouw De la Malle zijne schoonmoeder, die te Parijs over zijne beide zoontjes Charles en Victor waakte, na den dood hunner kort geleden gestorven moeder, dat hij zijn brief richtte.

Ik heb dien brief op dit oogenblik in druk voor mij liggen, want het is een historisch stuk dat wel verdiende aan de vergetelheid onttrokken te worden. Hij is gericht aan den heer S. W. Ruijssenaers, consul-generaal der Nederlanden in Egypte, en geteekend door Ferdinand de Lesseps, gevolmachtigd minister op non-activiteit. In den brief deelt hij zijn vriend mede dat hij juist het bericht las van den dood van Abbas Pacha, khedive van Egypte en van de troonsbestijging van Mohammed Said hun gemeenschappelijken vriend, en hij knoopt daaraan vast dat hij daarvan de beste verwachting heeft voor het lievelingsontwerp waarover hij den Nederlandschen consul-generaal reeds vroeger schreef, het doorgraven van de landengte van Suez. Den 7 November van hetzelfde jaar, drie dagen voor zijn 49ste verjaardag, wordt de Lesseps door Ruyssenaers te Alexandrië van de boot gehaald, en bespreken beide vrienden het plan dat nog slechts aan enkele weinige vertrouwden was medegedeeld.

Vijftien jaar later, den 20 Sept. 1869 werd het kanaal, langs hetwelk de wateren van de Middellandschezee zich sinds 15 Aug. 1869 vermengde met die der Roode Zee, voor de scheepvaart opengesteld.

Die vijftien jaren zijn het leven van de Lesseps voor het nageslacht. Wat er aan vooraf ging, moge uit biographisch oogpunt belangwekkend zijn, het kan ons alleen interesseeren, omdat wij er de voorbereiding in zien van hetgeen in die 15 jaar gewrocht is en wat er na komt zal waarschijnlijk door onze nakomelingen of geheel vergeten werden, of met een ander oog bezien dan de meerderheid der tijdgenooten deed.

Van hetzelfde kasteel van Agnes Sorel, thans algemeen bekend als het "château de la Chesnaye" van le grand Français is Vrijdagavond naar Parijs het bericht verzonden dat Ferdinand de Lesseps zacht en kalm nog tamelijk onverwachts, dien middag te 4 uur gestorven was. Mevr. Delamalle, die De Lesseps de voortreffelijkste aller schoonmoeders noemde, is reeds lang gestorven en een nog zeer jong meisje, mlle. Autard de Bragard, had in 1869 den 64-jarigen weduwnaar gehuwd en was nu bij zijn sterfbed aanwezig, te gelijk met de kinderen uit het eerste huwelijk, hunne vrouwen en kinderen en de vijf dochters die zij hem op hoogen ouderdom nog geschonken had. Van de vier zoons uit dat tweede huwelijk geboren was slechts één te la Chesnaye, twee zijn uit Parijs terstond gekomen, de oudste ontbreekt daar hij als militair in Soudan dient.

Toen het bericht te Parijs kwam was de algemeene indruk dat Frankrijk opnieuw een van zijne grootste mannen verloren heeft. Zoo gaan zij de een na den ander heen, Victor Hugo, Thiers, Renan, Gambetta en wij zien niet wie hun plaats zal kunnen innemen. Frankrijk heeft nog Pasteur en in zekere zin Jules Simon als mannen van wereldbekenden naam, maar Jules Simon is 80 jaar en Pasteur is reeds de zeventig gepasseerd. Onder het jongere geslacht zijn er vele met eervollen naam en erkende bekwaamheid, maar geen van hen allen heeft, noch in de oogen van het publiek, noch door zijne daden de buitengewone positie die de dooden hadden. Is het wellicht deze vergelijking met het geslacht dat ons juist is voorafgegaan, waarin de oorzaak van het Fransch tegenwoordig pessimisme gezocht moet worden?

Do Lesseps was geen pessimist, hij was een optimist, ja meer dan dat, hij was een geloovige: hij geloofde in zijn eigen kracht, en hij bezat die kracht, dit is zijn groote verdienste. lngenieur was hij niet, en is hij nooit geworden. Financier was hij evenmin, het is later maar al te duidelijk gebleken, en De Lesseps met zijn gullen aard, zijn goed vertrouwen en zijne tot dweepzucht overslaande aanhankelijkheid aan een opgevat plan, is evenmin ooit een man van zaken geweest. En toch hij heeft een der grootste ingenieurswerken, een der reusachtigste financieele operatiën, een der belangrijkste omwentelingen in het handelsverkeer die de laatste eeuwen aanschouwden, tot stand gebracht. Hij deed dit doordien hij wilde. Het Suezkanaal was geen nieuw denkbeeld en in een interessante boekje door De Lesseps geschreven, Les origines du canal de Suez, erkent hij dat Sesostris, Alexander de Groote, Julius Cesar, Amroe, Napoleon en Mohammed Ali, allen machtige en krachtige regeerders, zich reeds met dit vraagstuk hebben bezig gehouden. De technische bezwaren waren niet van zoo bijzonderen aard, en voor het voeren van oorlogen en het maken van trotsche paleizen zijn wel sommen bijeengebracht, minstens even groot als de Suez-onderneming vroeg. Maar terwijl de anderen de zaak opgaven, hetzij door gebrek aan energie, hetzij bij genoemde vorsten doordien hunne aandacht er van afgeleid werd, heeft De Lesseps geweten al zijne kracht, al zijn vernuft, al zijn diplomatiek beleid en alle zijn persoonlijke betrekkingen ten dienste van dit eene doel te stellen, en onvermoeid er voor arbeidende, wist hij, gewoon particulier, eene omwenteling te bewerken die op de geschiedenis der volken en de ontwikkeling der menschheid reeds een hoogstbelangrijken invloed oefende, maar waarvan de gevolgen nog slechts beginnen zich te doen gevoelen.

Het is een boeiende en verkwikkende lectuur in het werkje van De Lesseps den strijd te volgen die hij heeft moeten voeren tegen Oostersche onverschilligheid, financieele schraapzucht, angstvalligheid van het publiek, wantrouwen van de deskundigen en niet het minst tegen de openbare vijandschap van lord Palmerston en de geheele in Engeland heerschende partij.

Des te schooner was de overwinning, en eene triumftocht zooals de Lesseps na 25 jaar geleden vierde, is slechts voor weinige stervelingen weggelegd. Overstelpt met eerbewijzen van alle volken, gevierd door Engeland dat loyaal zijn fout inzag en die koninklijk weder goed trachtte te maken, op de handen gedragen door de personen die hem hun geld hadden toevertrouwd en dit met overrijke winsten zagen terugvloeien, bekleedde De Lesseps eene bijzondere stelling in de Europeesche maatschappij die wel het duidelijkst uitkwam toen hij in 1887 naar Berlijn was gegaan en daar voor het eerst na den oorlog door het Duitsche volk den Franschen geest deed huldigen.

Daarna volgde Panama. Reeds toen dit werk begonnen werd, was de Lesseps geestelijk en lichamelijk zeer verzwakt. Ware het gelukt, dan zouden niet zijne verdiensten, maar alleen zijn naam tot het welslagen hebben bijgedragen: nu het niet gelukt is, is het onrechtvaardig hem te verwijten zaken, die hij nimmer heeft kunnen nagaan. De Panamazaak heeft over de laatste jaren van zijn leven een sluier geworpen, en toen zij al te gevaarlijk werd, heeft het Fransche volk stilzwijgend met mevrouw De Lesseps samengespannen om er een doek van te maken waarachter hij aan het maatschappelijk verkeer onttrokken werd. Blijvend zal zij geen vlek op zijn naam werpen. Wordt het Panamakanaal toch voltooid dan zal de herinnering van het eerste echec terstond uitgewischt zijn; blijft het een onvruchtbare poging, dan zullen nog steeds de vloten die van Afrika's oostkust en Indië naar Europa varen bij het doorgaan van het Suez kanaal eene dankbare herinnering wijden aan den schepper van dien ader voor het wereldverkeer.

De houding der Fransche pers bij het vernemen der doodstijding is over het algemeen waardig. Enkele bladen zooals le Temps, zijn vrij koel, maar de meerderheid erkent dat De Lesseps zich voor zijn vaderland en voor de menschheid verdienstelijk heeft gemaakt, en verheugt zich er over dat zijn verzwakte geest tot het einde toe onkundig is gebleven van het Panamadrama. Le Figaro spreekt openlijk zijn leedwezen uit dat de begrafenis niet te Parijs zal plaats hebben en het Fransche volk zoodoende niet in staat zal zijn te manifesteeren, hoe weinig het met zijne regeerders van twee jaar geleden eens is.

Wat mij echter bij deze houding opvalt, is dat men het financieel karakter van zijn werk zoozeer op den voorgrond stelt, en veel meer dan zijn arbeid in het belang van het algemeen, blijkt te waardeeren, dat hij de Fransche aandeelhouders der Suez-Maatschappij zulke ruime dividenden bezorgd heeft, zoo ruim dat, zelfs de Panamaverspilling hier nog niet tegen opweegt. Het is alsof de beurzen dier aandeelhouders, zoo men wil het kapitaal van Frankrijk het eenige is, waarop men bij waardeering der Franschen moet letten. Zou werkelijk Frankrijk zoo mercantiel geworden zijn dat het alleen voor de duitenquaestie oogen heeft? Ik weiger dit vooralsnog te gelooven.