Anoniem/Het stadhuisplan

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het stadhuisplan
Auteur(s) Anoniem
Datum Woensdag 8 mei 1935
Titel Het stadhuisplan. Luthman zet zijn ontwerp uiteen.
Krant Het Vaderland
Jg 67
Editie, pg , Ochtendblad A, p. 2
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

RESIDENTIENIEUWS


HET STADHUISPLAN


LUTHMANN ZET ZIJN ONTWERP UITEEN


      In „Handel, Nijverheid en Gemeentebelangen” heeft gisteravond architect J. Luthmann, de winnaar in de Stadhuisideeënprijsvraag, een toelichting op het stadhuisplan gegeven. De vergadering werd o.a. bezocht door Burgemeester De Monchy, den gemeentesecretaris mr Boasson, wethouder v. d. Bilt, de raadsleden mej. Blaauw, Joëls, Josephus Jitta en Vrijenhoek en eenige architecten, o.a. Kromhout, Jan Wils, Rood, v. Nieukerken, v. Hylekama Vlieg en Schippers.
      Luthmann vertoonde een groote reeks lichtbeelden en merkte op, dat B. en W. en de Raad zich nog over de quaestie van den stadhuisbouw moeten uilspreken en alles wat hij kon laten zien, een zeer voorloopig karakter heeft. Het betreft niet meer dan een stadium, waarin het vraagstuk is gekomen.
      Al is een programma nog zoo zorgvuldig en uitvoerig opgesteld (en in dit opzicht bracht hij hulde aan hen, die met deze taak waren belast, daar het een belangrijk stuk organisatorische arbeid op zichzelf is), het kan toch nooit meer zijn dan een uiteenzetting in woorden. Indien men de resultaten daarvan ziet vastgelegd in teekeningen, dan geeft dit nog wel eens aanleiding tot een gewijzigde opvatting. Dat gaat met kleine bouwwerken zoo en het zal ook wel het geval zijn met een bouwwerk als dit, waarin zoovele categorieën van gebruikers onderdak moeten vinden.
      Vaak wordt tegen prijsvragen aangevoerd het bezwaar, dat gedurende het werken aan de plannen het voortdurende contact tusschen opdrachtgever en architect ontbreekt. Wel hebben de architecten ook hier, nadat zij gelegenheid hadden gehad, van het programma kennis te nemen, nog twee bijeenkomsten gehad met de commissie van advies en zijn in deze bijeenkomsten verschillende commentaren op het programma vastgelegd, maar daarna is men aan zichzelf overgelaten en moet men maar zien, dat men over verschillende vraagstukken, die onder het uitwerken der plannen zich opdoen, het met zichzelf eens wordt.
      Toch acht hij persoonlijk het stelsel der prijsvragen daarmede volstrekt niet veroordeeld. Elk stelsel heeft zijn bezwaren, maar in dit geval wegen zij volgens Luthmann niet op tegen het groote voordeel, dat men vergelijkend studiemateriaal krijgt, wat in deze materie toch wel van belang is.
      Over de vraag, of bij deze prijsvraag van „een ldeeënwedstrijd” kan worden gesproken, zullen de meeningen wel uiteenloopen. Velen zullen van meening zijn, dat voor een ideeënprijsvraag veel te uitvoerige plannen werden verlangd. Hoe dit zij, begrijpelijk is, dat wie een prijsvraag uitschrijft, zich op het standpunt stelt, dat ideeën, welke niet stevig in de werkelijkheid wortelen, weinig waarde hebben. leder, ook de leek, kan wel een idee over zulk een vraagstuk hebben, maar een idee, dat werkelijk levensvatbaarheid heeft, kan men zich toch eerst vormen, indien men de eischen, waaraan het gebouw of gebouwencomplex moet beantwoorden, door en door kent.
      Als men de uitnoodiging voor zulk een prijsvraag krijgt, begint men met de kaart van het desbetreffende stadsdeel voor zich te nemen en naar hartelust te schetsen. Het programma met de nuchtere opsomming van feiten laat men nog maar even liggen. Men heeft visies van grootsche ruimten, statige toegangswegen, omsloten door monumentale gebouwen. Maar als men zich daarmede een poosje heeft geamuseerd, ontstaat de behoefte om precies te weten met welke elementen men die stedebouwkundige aspecten moet verwezenlijken. Men wil de afmetingen en de verhoudingen kennen van het gebouw of de gebouwen, die voor het stadhuis noodig zullen zijn. Daarvan heeft men in den aanvang nog geen duidelijke voorstelling. Maar niet alleen die afmetingen en die verhoudingen dient men te kennen, men moet zich ook rekenschap geven van wat er in die gebouwen gebeurt, hoe de betrekkingen zijn tusschen de verschillende diensten onderling en tusschen die diensten en het publiek, kortom, men behoort zich rekenschap te geven van de functies, waaraan het gebouw zal hebben te beantwoorden. Eerst met deze kennis gewaptnd, kan men zich met vrucht aan den stedebouwkundigen kant van het vraagstuk wijden.
      Immers, aldus Luthmann, het is niet de vraag hoe wij het gebouw of het gebouwencomplex dienstbaar zullen maken aan een fraai stedebouwkundig effect, een decoratieve interpretatie van stedebouw, welke terecht is verlaten, maar hoe wij met het concrete gegeven: een goed functioneerend gebouwencomplex, een situatie vormen, welke zoowel uit een oogpunt van verkeer, als uit een oogpunt van representatie bevrediging geeft.
      Verder merkte hij op, dat hij, al werkende tot de overtuiging is gekomen, dat men in een dergelijk gebouw de verschillende en dikwijls zeer uiteenloopende functies ook uiterlijk moet scheiden. Men moet namelijk niet te licht denden over de moeilijkheid voor het publiek, om zich in een gebouw van een dergelijken omvang te oriënteeren. Maakt men van zulk een gebouw een conglomeraat van representatieve vertrekken en bureaux, dan maakt men z.i. het het organisme noodeloos ingewikkeld en, verklaarde hij, dit is nu juist iets, waar wij in ons toch al gecompliceerde leven volstrekt geen behoefte aan hebben.
      Er zijn in ’t stadhuis 3 hoofdfuncties te onderscheiden, n.l.: 1. het vertegenwoordigende gedeelte; 2. de secretarie en 3. de technische diensten (bouw- en woningtoezicht, stadsontwikekling en volkshuisvesting en gemeentewerken). Deze drie groepen heeft hij als min of meer zelfstandige organismen, behandeld. Is men hierover voor zich klaar geworden, dan staat men voor de taak om het gebouwencomplex zoodanig in het stadsplan te voeren, dat het daarvan een levend deel gaat uitmaken.
      Dit was bij de bestaande situatie niet zoo eenvoudig. Het stadhuisterrein ligt tusschen twee parallelwegen, waarvan de eene, de Javastraat, reeds een belangrijke verkeersweg is en de andere, de Laan Copes van Cattenburch, in de toekomst er een kan worden. Verder Is er, nagenoeg loodrecht op deze twee wegen, een weg, welke uit het oude centrum van de stad naar het nieuwe, officieele centrum voert en die door een doorbraak in de Javastraat met het stadhuisterrein zou kunnen worden verbonden.
      De aanvaarding van dit gegeven zou tengevolge hebben, dat het stadhuisterrein een vrij verlaten oord zou worden en het verkeer er beperkt zou blijven tot de bezoekers van het stadhuis. Beschouwt men dit uitsluitend als een werkgebouw, dan heeft zulk een afgezonderd ligging zeker voordeelen. Ziet men het evenwel tevens als een ideëel centrum, dan gevoelt men toch de behoefte om het intensiever in het organisme van de stad te betrekken. Dit hebben de programma-opstellers ook begrepen, toen zij de mogelijkheid suggereereden om een betere verbinding te maken van de Bankastraat met de Wittebrug.
      Hij heeft zich dan ook tot taak gesteld om het stadhuisterrein in te schakelen in een verbindingsweg Noord-Zuid. Oorspronkelijk heeft hij gedacht aan voortzetting van de Parkstraat over het stadhuisterrein door de Archipelbuurt en de Scheveningsche Boschjes met een uitmonding in een grooten verkeersweg, welke het westelijke stadsdeel (via Sportlaan langs het nieuwe Museum) met het oostelijke stadsdeel (Alkemadelaan) zou verbinden. Dit zou een vernieling van het karakter der Scheveningsche Boschjes tot gevolg hebben en deze oplossing werd dan ook vanwege het min of meer utopische karakter opgegeven, des te eerder, daar het programma in dit opzicht een duidelijken wenk aan de deelnemers van de prijsvraag bevatte. Bij een dergelijke situatie zou het stadhuls terzijde van den geschetsten verkeersweg komen te liggen. Toen evenwel een dergelijke voortzetting van den belangrijksten toegangsweg naar het stadhuls, de Parkstraat, niet goed uitvoerbaar bleek, besloot hij tot een oplossing, als het uitgewerkte plan te zien geeft.
      Aan den Westkant van het Alexanderveld naar den Scheveningschenweg wil hij de huizen afschermen en de doorbraak in de Javastraat wil hij verbreeden. Van de Archipelbuurt verwacht hij, wegens haar mooie situatie, veel in de toekomst mits men volgens een weloverwogen plan te werk gaat bij de vernieuwing en niet zich bepaalt tot het plombeeren van de gaatjes, welke er in mochten vallen. De flatwoningen aan Laan Copes zouden aan een laanallée komen. Bij uitbreiding van het stadhuis zal het Nassauplein, dat plein noch straat, maar een stukje laan midden in een straat is, ook een front er van krijgen.
      Wegens de kosten heeft hij afgezien van de amotie van de Javastraat en de Alexanderstraat moet niet aan een zijde, zooals hij in onbegrijpelijke vergissing heeft aangegeven, maar aan weerszijden verbreed worden. De Borneostraat worde weer een levend element.
      Aan de hand der situatie en der plattegronden gaf Luchmann een uitvoerige uiteenzetting van de gedachten, welke hem bij zijn ontwerp hebben geleid.
      De heer Vrijenhoek bracht hulde aan het bestuur van H.N.G., dat Luthmann in de gelegenheid heeft gesteld zijn ontwerp in ’t openbaar te verdedigen. Het rapport van de commissie van advies heeft hem huiverig gemaakt. Kreeg de minderheid der commissie, de heer Hulshof, haar zin, dan zouden de drie weer eens tegen elkaar in ’t strijdperk moeten treden, wat niet erg elegant zou zijn jegens Luthmann. Deze moet echter een eerlijke kans hebben; eerst als hij alle eerlijke critiek niet zou willen verwerken, zou de gemeente naar andere wegen moeten omzien.
      We moeten nu we zoover zijn, langzamerhand tot de uitvoering komen. Defensie bouwt haar nieuwe kazernes, waar Den Haag 3 millioen voor moet betalen. Had er moeten worden bezuinigd, dan hadden er kazernes noch stadhuis moeten worden gebouwd. Nu de kazernes er komen, moet ook het stadhuis er komen. De groote terreinen, welke we krijgen, wachten op bebouwing. Ook dit dringt tot spoedigen aanvang met den stadhuisbouw, welke ook als object van werkverruiming zou kunnen dienen.