Anoniem/Nieuwe uitgaven/2

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nieuwe uitgaven
Auteur(s) Anoniem
Datum Vrijdag 6 december 1935
Titel Nieuwe uitgaven
Krant Het Vaderland
Jg 67
Editie, pg , Avondblad, z.p.
Opmerkingen Karel de Bazel vermeld als De Bazel, Cornelis Blaauw als Blaauw, Jan Boterenbrood als Boterenbrood, Jan Gratama als Gratama, Hendrik Petrus Berlage als Berlage, Jacobus Johannes Pieter Oud als Oud, Gerrit Rietveld als Rietveld
Brontaal Nederlands
Bron kranten.kb.nl
Auteursrecht Publiek domein

NIEUWE UITGAVEN


Een ongelukkige liefde door Wolfgang Koeppen (Ned. Keurboekerij, A’dam).


      Wolfgang Koeppen, een jonge schrijver, schiep in „Een ongelukkige liefde” een tweetal merkwaardige figuren met een entourage, die eveneens opmerkelijk is. Een man en een vrouw, die leven in voortdurende spanningen, welke hen naar elkaar toetrekken en dan weer afstooten. Uit deze op elkaar inwerkende krachten resulteert een evenwicht, dat der vrouw misschien aangenaam is, den man echter diep ongelukkig maakt, hoewel het te bezien valt, of hij toch ln deze situatie niet ln diepsten zin een bevrediging van ver verdrongen gevoelens vindt. Dit complex van bindende en scheidende factoren, of, om het anders te zeggen, deze ongelukkige liefde, wordt door den schrijver geanalyseerd, niet met opzettelijk psychologische termen, maar eenvoudig door te beschrijven wat voorviel, door onthulling der gedachten en gevoelens, vooral van den man en van zijn opkomende herinneringen die het nieuw beleefde binden aan een dergelijke ervaring in het verleden, waardoor de lijn in het leven van beiden begrijpelijk wordt en de verklaring, die de schrijver niet uitspreekt zoowel als het verband, dat hij niet zichtbaar legt, den lezer duidelijk wordt.
      De vrouw is een jonge actrice, kinderlijk en behaagziek. In de oogen van Frederik, den man, wordt zij echter tot een almachtig wezen, een demon en een engel. Deze visie van Frederik beheerscht het boek, wijl de schrijver steeds die onwezenlijke sfeer handhaaft, daarmee den lezer in den tooverban trekkend.
      Ook het décor van deze liefde, de steden, waar Sybille in een klein cabaret optreedt, het cabaretgezelschap, dat bestaat ult gevluchte Russen en andere staatloozen, verschijnt in dit spookachtig licht, als drukt juist die vreemde en verwrongen sfeer Frederiks gevoelsleven uit.
      De verdienste van het boek ligt niet in de beschrijvingskunst van den auteur, in zijn vermogen om menschen en een probleem objectief zuiver weer te geven, maar in zijn symbolische verbeelding van gevoelens en gedachten.
      In dit werk is veel, dat waardevol is, veel ook, dat nog onvolgroeid is en slechts een kiem van latere mogelijkheden bergt. In deze eersteling is de taal het directe uitvloeisel van „het geval”. Wanneer dus het geval van één zeer speciaal tot een algemeener wordt, zal ook de taal vermoedelijk een verruiming ondergaan. Nu is het o.i. soms nog stroef en weinig briljant.
      De geautoriseerde vertaling is van Jan Loosders, die hierin goed werk leverde.


Moderne Bouwkunst in Nederland.


Uitg. W. L. en J. Brusse.


      Nr 2 behandelt den hoogen bouw als volkswoning en vertoont werk van De Bazel, Blaauw, Boterenbrood, Gratama, Berlage en Venteeg, Dekker, Granpré Molière, Verhagen en Kok, Greiner, Kramer, v. Hardeveld, De Klerk, v. d. Mey, Noorlander, Oud, Roodenburgh, v. Tijen, dezelfde en Verbeek, dezelfde, Brinkman en v. d. Vlugt, Westerman en Wijdeveld. We zijn er mee terechtgekomen in de schortjesarchitectuur en in de Amsterdamsche kunstenmakerij, om het kind te noemen bij zijn echten naam. Als men bv. ziet hoe voor dezen tijd haast misdadig duur De Klerk zijn woningen aan het Spaardammerplantsoen in Amsterdam heeft gemaakt en hoe de woningen zelf in het geheel niet voldoen aan de eischen van een goede volkswoning dan wordt men zich ervan bewust, dat er in dien tijd nog heel wat heeft ontbroken aan het juiste begrip. Het tegenovergestelde beeld vertoont het werk waar v. Tijens naam mede is verbonden. Het hooge huis voor den intellectueelen arbeider in Rotterdam, dat nlet uit de steigers schijnt te zijn gekomen, de woningen aan de Bekkerstraat, welker kamers ook glazen kooien zijn, met het gevolg dat buffetjes e. d. voor de glazen kamerafscheidingen worden gezet, zijn o. i. ook alles behalve toonbeelden van prettige bewoonbaarheid.
      We hebben ook een bouwblok van Kramer teruggezien, aan welks indeeling we een heel eigenaardige heugenis hebben: een W.C. in het portaal, ten deele ingebouwd in de achterliggende slaapkamers.... tusschen een voorgevelplaatje en goede plattegrond en bewoonbaarheid is nog wel eenig verschil. Feitelijk behoort Granpré Molière in dit deel niet thuis, want tweehoogbouw pleegt niet onder hoogen bouw verstaan te worden. Oude woningen aan de Spaansche bocht in Rotterdam dateeren uit 1920, maar ze zijn van een saaie burgerarmoedigheid als geen enkele zoo gesmade bouwondernemer zou durven zetten.
      De enkele goede voorbeelden dragen in hun eenvoud het kenmerk van het goede, zonder vestingtorens, fortmuren of fantastisch metselwerk.
      Nr 5 geeft de middenstandswoning, het huis voor één gezin en vertoont werk van H. A. J. en J. Baanders, ir J. W. C. Boks, Co Brandes, J. Brouwer, Bijvoet en Duiker, G. Feenstra, lr J. B. v. Loghem, J. Luthmann, J. Roodenburgh, G. Rietveld, F. Lourijsen, G. J. Rutgers, Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, F. den Tex, G. Versteeg, Jan Wils, A. J. Westerman en Zanstra, Giesen & Symons. Het is een eigenaardige mengeling: de huizen op Marlot, welke we niet onder den naam middenstandswoning plegen te verstaan, heel beknopte, één verdieping hooge woningen in Haarlem, de volledige heerenhuizen van drie verdiepingen aan Mesdagstraat en Ericalaan alhier, héél beseheiden buitenwoninkjes aan den Geitenkamp in Arnhem en atelierwoningen in Amsterdam. Het verband moet blijkbaar zijn dat ’t woningen voor één gezin zijn, maar dan vallen toch die atelierwoningen nog uit het gelid, omdat die niet afzonderlijke, maar verdiepingwoningen zijn.
      In beide nummers zijn niet van alle woningen plattegronden opgenomen.