Anoniem/Zuid-Afrika/Uit de Mail

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zuid-Afrika
Auteur(s) Anoniem
Datum Maandag 14 december 1903
Titel Zuid-Afrika. Uit de Mail.
Krant De Telegraaf
Jg, nr 11, 4090
Editie, pg Avondblad, 2e Blad, [1]
Opmerkingen Petrus Jacobus Joubert vermeld als Joubert, Piet Cronjé als Cronjé, Koos de la Rey als De la Rey
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

ZUID-AFRIKA.


Uit de Mail.


Hongersnood.


      Van alle kanten komen er berichten, dat de inwoners van de noordwestelijke deelen der Kaapkolonie bitter zwaar – ja, hongersnood in sommige gevallen – lijden, wegens de aanhoudende droogte, het gebrek aan vervoermiddelen, de niet uitbetaling van commandeerbriefjes enz. De regeering wijdt haar aandacht aan de zaak, en wij vertrouwen, dat langs dien weg verlichting zal worden aangebracht. Intusschen blijft er groote opening voor privaat hulpbetoon. De commissie voor onze verarmde en noodlijdende koloniale landgenooten, opgericht tijdens den oorlog, bestaat nog. Ds. J. Roos, de kerkelijke zaakgelastigde is de thesaurier er van en ds. C. S. Morgan, Rogelim, Kaapstad, is de secretaris. Alle bijdragen kunnen aan ds. Roos gezonden. De commissie is zeker bereid de noodlijdenden naar haar vermogen te helpen. Veel is reeds gecollecteerd in de laatste jaren, maar zij, die nog geven kunnen, behooren onze mede-kolonisten niet te vergeten.      (Ons Land).


      De heer E. de Marillac zendt ons copieën van verklaringen, geteekend door den assistent veldcornet T. B. Botha, van Wijk 6, in het district Carnarvon, en den heer Wright, van Carnarvon, waarin een sterk getuigenis wordt gegeven over de vreeselijke ellende en hongersnood, die in dit deel van de Kolonie heerscht.
      De heer De Marillac voegt bij die copieën de opmerking, dat de meesten der ongelukkigen niet weten dat er hulp (al is het ook weinig) te verkrijgen is bij de magistraten van de verschillende districten, terwijl anderen, die vóór den oorlog en de droogte in goeden doen waren, liever honger lijden dan naar het dorp te komen en de bedelen om brood voor hen en hun gezin. Liever gaan zij naar de winkeliers om kost te vragen op crediet, wat dezen uit zelfbehoud moeilijk kunnen geven, al doet een groot aantal wat zij kunnen, zelfs al meer dan zij kunnen.
      De heer De Marillac ging eenige dagen geleden naar de plaats Elandshoorn. 5 mijl van Carnarvon. Daar woonde een dame Etsebeth met 7 kinderen, die moesten leven van een emmer meel, die zij eens in de 14 dagen kregen en de karkassen van een paar overgebleven bokken en schapen, die er na aan toe waren, om van de magerte dood te gaan. Op dezelfde plaats woonde de familie Kruger, de vrouw vermagerd en acht kinderen, de man even slecht er aan toe, en levende als hun buurvrouw, terwijl zelfs juffr. Kruger elk oogenblik een baby kan verwachten. Van voldoende kleeren is geen sprake.
      Er is nu voedsel, maar hoe lang zal het duren. Nu de regen uitblijft, zijn de arme menschen verplicht hun paar veetjes te slachten, om wat te eten te hebben.
      De heer De Marillac is, evenals de genoemde heeren, van oordeel, dat welmeenende mannen dadelijk moeten worden uitgezonden met voedsel en medicijnen, daar de uitgehongerde boer niet in staat is, om het voedsel voor mijlen en mijlen door een waterlooze woestenij te dragen. Hulp is dadelijk noodig, anders zullen nog meer van gebrek omkomen.
      De heer Alexander Wright, een prospektor, die 9 jaren lang in het land heeft rondgezworven, en de districten Fraserburg, Calvinia, Kenhardt en Carnarvon door en door kent, en de laatste 18 maanden daar was, verklaart, dat er vreeselijk wordt geleden. Gezeten boeren hebben bijna al, of al hun vee verloren en vergaan van gebrek. Die niet zijn weggetrokken, hebben niet anders dan een paar wandelende geraamten van bokken en schapen over. Sommigen zelfs niets meer en moeten bedelen van huis tot huis. Het ergste zal nog komen nu de zomer begint. Er ontstaan allerlei ziekten, en de menschen sterven van gebrek. Velen kunnen niet naar de dorpen komen, mijlen en mijlen ver, als zij daar voedsel zouden kunnen krijgen, zouden zij het niet kunnen komen halen.
      De heer T. B. Botha schrijft, dat vooral in zijn werk de ellende ondragelijk wordt. Hij vond in wijk 5 en 6 families, die, als zij niet spoedig worden geholpen, verhongeren. Er zijn er die van de lijken van door honger omgekomen schapen en bokken eten. De veldkornet is overtuigd, dat hij enkele der laatste sterfgevallen aan honger moet toeschrijven, en ziektegevallen aan het rotte voedsel.      (Ons Land).


Mevrouw Cronjé.


      „De Volksstem” geeft de volgende bijzonderheden omtrent mevrouw Piet Cronjé, onlangs overleden:
      „Mevrouw Cronjé had den betrekkelijk hoogen ouderdom van 64 jaar bereikt, hetgeen vooral merkwaardig is, wanneer men berekent wat zij al niet in de laatste jaren heeft doorgemaakt.
      Evenals de echtgenoote van wijlen generaal Joubert in vroegere jaren, vergezelde zij den heer Cronjé gedurende den geheelen oorlog. Spoedig na zijn optrekken tegen Mafeking, volgde zij hem daarheen en was steeds onvermoeid in haar zorgen voor allen, die haar hulp noodig hadden. Van Mafeking trok zij met onze commando’s naar Modderrivier, Kimberley en Paardeberh. Daar werd mevr. Cronjé, na het verschrikkelijk bombardement, dat eenige dagen lang duurde en een zeer nadeelige uitwerking op haar gezondheid had, gevangen genomen en, op verzoek van den generaal, toegestaan hem naar St. Helena te vergezellen.
      Daar werd een alleenstaand huisje voor het geacht echtpaar en eenige persoonlijke vrienden ingericht en door de Engelschen veel gedaan om hun verblijf op het onherbergzaam eiland dragelijk te maken. De gezondheid van mevr. Cronjé verzwakte nochtans snel.
      Bezorgdheid voor hare kinderen, die nog hier en daar op commando waren, het leven in gevangenschap en de tallooze smarten, die het meebracht, knaagden als een kanker aan een reeds op commando geknakt en door ouderdom verzwakt gestel. Zij verloor gedeeltelijk het verstand.
      In Augustus, na den vrede, keerde mevrouw Cronjé, te zamen met haar echtgenoot, terug en leefde sedert stil op hun plaats Rietfontein.
      Wij brengen den bedroefden echtgenoot en de treurende familie onze eerbiedige condoleantie.”


Generaal De la Rey naar Indië.


      Vergezeld van zijn omtrent 20-jarigen zoon, vertrok generaal De la Rey Donderdagavond om tien uur met den L Marques-trein naar Britsch Indië. Een compartiment was voor den hooggeplaatsten reiziger gereserveerd, doch daar, gelijk gewoonlijk, ook ditmaal minder zitplaatsen in den trein beschikbaar waren dan plaatsbiljetten werden uitgegeven, gaf de generaal gaarne van zijn overvloedige ruimte wat aan minder begunstigde mede-reizigers.
      Generaal De la Rey deelde aan een „Volkstem”-man mede, die – behalve advocaat Ferreira, schoonzoon van den generaal – de eenige was om aan de vertrekkenden een goede reis toe te wenschen, dat de toestand zijner dochter, mevrouw Ferreira, nog zóó zorgwekkend was, dat de geneesheer verboden had, dat de patiente van haar vader en broeder afscheid nam. Des te meer verdient dus het besluit van generaal De la Rey, om naar Britsch Indië te gaan, waardeering; des te meer behoort het betrokken publiek te worden op prijs gesteld, dat deze wakkere voorman niet langer zijn reis heeft willen uitstellen.
      Moge hij slagen in zijn doel, en moge bij zijn terugkomst in het vaderland zijn dochter ten volle hersteld wezen.      (De Volksstem).