Architectura/Jaargang 5/Nummer 10/Verslag van de 1051ste gewone vergadering

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Verslag van de 1051ste gewone vergadering, gehouden in het genootschapslokaal op Woensdag 3 Maart ’s avonds te 8 uur’ door J.L.M. Lauweriks
Afkomstig uit Architectura, jrg. 5, nr. 10 (zaterdag 6 maart 1897), p. 57-58. Publiek domein.

[ 57 ]

VER­SLAG VAN DE 1051STE GE­WO­NE VER­GA­DE­RING, GE­HOU­DEN IN HET GE­NOOT­SCHAPS­LO­KAAL. op woens­dag 3 maart ’s avonds te 8 uur.

De voorzitter, de heer cuijpers, opent de vergadering en stelt voor, de heeren dr. h. c. muller en hartkamp in een schrijven nogmaals den dank van het genootschap over te brengen voor hunne bijdragen in de 1050e verg., de aanwezigen betuigden hiermede hunne instemming. De voorzitter installeerde hierop den heer j. van leeuwen, den nieuwen zaalcommissaris, die in de plaats van den heer wiggers was getreden, daarop werd het woord verleend aan den heer j. e. van der pek, architect alhier, voor zijne voordracht over volkshuisvesting.
 Spreker verklaarde meer bepaald te zullen spreken over daglooners- en arbeiderswoningen en zeide dat de slechte huisvesting der paupers begonnen was met het einde der gothiek, dat dit euvel langzamerhand was toegenomen en eerst in 1830 eenige beweging ontstond om hieraan een einde te maken.
 Spreker wenschte zijne lezing in drie deelen te verdeelen: 1e. over hedendaagsche volkshuisvesting, 2e. over zijn eigen [ 58 ] ideeën over dat vraagstuk. 3e. over het uiterlijk dier woningen.
 Met het eerste gedeelte aanvangende begon hij met een schets van den huidigen toestand van de woning der paupers te amsterdam.
 De slechte toestand dezer woningen had men te danken aan het bouwen op inpandige terreinen, waardoor uit zucht tot exploitatie een aantal kleine woningen op een beperkt terrein werden gebouwd, die daardoor verstoken waren van voldoende licht en lucht en die al de gebreken, verbonden aan woonplaatsen voor vele gezinnen, in eene beperkte ruimte gehuisvest vertoonden.
 Achtereenvolgens behandelde spreker de nauwe op holen gelijkende toegangen soms 12 M. lang, 1.50 M. hoog en 0.65 M. breed, onvoldoende gerioleerd en verlicht. De beperkte ruimte in de woningen zelve, waaronder er waren van 2,30 diep, 2,50 breed en 1,90 hoog en 11 M­³ inhoud, waarin 5 personen moesten slapen, ieder noodig hebbende 8 M­³ lucht. De altijddurende vocht door slechte trasramen en lekke dakgoten ontstaan. De afwezigheid van frisch water, de slechte toestand der privaten en gootsteenen, waar soms 4 gezinnen van één privaat en één gootsteen moesten gebruik maken. Het onvoldoende onderhoud der huizen.
 Uitvoerig besprak hij de bedsteden en toonde met cijfers de slechte slaapgelegenheid der bewoners.
 Thans was hij aan het 2e gedeelte zijner voordracht. De voorzitter stelde voor dit gedeelte een volgende maal te behandelen namelijk op de 1053e vergadering van 31 Maart; dit werd door den Heer van der pek goedgekeurd.
 Hierop volgde gelegenheid tot debat. De heer de bazel vroeg of het bebouwen van inpandige terreinen over het algemeen afkeuring verdiende, hij haalde een voorbeeld aan uit den haag, waar dit systeem zijn inziens goed was toegepast.
 De heer van der pek antwoordde dat het bebouwen dier terreinen te amsterdam bij politie-verordening verboden was doch dat er zijns inziens tegen doelmatige bebouwing geen bezwaar bestond.
 De beer cuijpers vroeg of het systeem van bedsteden voor slaapplaatsen afkeuring verdiende, waarop de heer van der pek als zijn gevoelen te kennen gaf, dat voor arbeiderswoningen moeilijk een andere oplossing te vinden was, omdat een bed in eene kamer altijd een onooglijk meubel was. Hij besprak de verschillende systemen in het buitenland en toonde aan dat de bedstede werkelijk nog het verkieslijkst was.
 Hierna vroeg de voorzitter of de heer van der pek geneigd zou zijn, de voordracht af te staan voor het orgaan van het genootschap. De heer v. d. pek antwoordde, dat de door hem verzamelde gegevens in eene brochure zouden verschijnen en zoodoende voldoende publiciteit erlangen.
 Vervolgens werd na ballotage mej. c. e. gruntke als lid aangenomen en wees de voorzitter op de in het lokaal opgehangen antwoorden op de 1e schets-prijsvraag 1897, een brievenbus voor het genootschap, en de eveneens tentoongestelde ontwerpen op de prijsvraag voor een diploma quitantie. Verder werd medegedeeld het overlijden van den heer jean goossens, artist peintre te molenbeek st. jean, waarvan eene kennisgeving was ingekomen; eveneens eene kennisgeving der association litteraire et artistique internationale, over hare bijeenkomst van 17 tot 24 april a.s[.], waarin zij verzoekt een afgevaardigde van het genootschap, ter bijwoning dier vergadering, te zenden.
 In de vragenbus werd een vraag gevonden van den volgenden inhoud: „Waar en wanneer kunnen de niet bekroonde ontwerpen prijsvraag, omschreven in no. 46 van het Weekblad, worden teruggehaald, en komt de beoordeeling in het Weekblad?” De voorzitter deelde mede, dat deze vraag in het orgaan zou worden beantwoord.
 Niets meer aan de orde zijnde werd de vergadering gesloten.

De 1e Secretaris, j. l. m. lauweriks.