Architectura/Jaargang 5/Nummer 13/Egypte

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘Egypte. Lezing gehouden in het genootschapslokaal, op 23 September 1896’ door [J.L.M. Lauweriks]
Afkomstig uit Architectura, jrg. 5, nr. 13 (zaterdag 27 maart 1897), p. 73-74. Publiek domein.

[ 73 ]

EGYPTE. le­zing ge­hou­den in het ge­noot­schaps­lo­kaal, op 23 sep­tem­ber 1896.
ver­volg van blz. 59.

 Door h. p. blavatsky, wordt herhaaldelijk gewezen op het verband tusschen de verschillende ruïnen die onzen aardbol bedekken, zoo lezen we o. a. het volgende.
 „Waarom zouden we vergeten, dat, eeuwen vóór de schepen van den „genuees” de wester wateren doorkliefden de phoeniciërs den aardbol omgevaren en hunne beschaving verspreid hadden in streken, die nu stil en uitgestorven zijn? Welke archeologist zal durven beweren, dat dezelfde hand, die de pyramiden van egypte, den tempel van karnak– en de duizende in puin gevallen monumenten langs den nijl bouwde, niet eveneens de monumentale-nakhon-wat van kambodje oprichtte, of de hiëroglyphen schreef op de ruïnen van palenque en uxmal– in centraal amerika en op de obelisken en deuren van het verlaten Indische dorp, onlangs in britsch columbia ondekt door Lord dufferin.”

Spreken de relieken, die we in onze musea opstapelen, laatste gedachtenissen van lang vergeten kunsten, niet luide van oude beschaving, en bewijzen zij niet nogmaals en nogmaals, dat verdwenen landen en natiën wetenschappen en kunsten met zich in het graf genomen hebben, welke de middeleeuwsche .... kloosters, noch de moderne chemie het leven hebben teruggegeven?”

We hebben reeds gezegd, dat de filosofie, zooals men die in de tempels der oudheid onderwees, de kunst als een der machtigste uitdrukkingsmiddelen gebruikte, alleen den godsdienst der hebreeuwen maakt hierop eene uitzondering. Om de een of andere reden schijnt het door mozes niet raadzaam geoordeeld te zijn ter belichaming der waarheid andere voertuigen te gebruiken dan het woord.
 Het intieme verband tusschen kunst en filosofie is nog duidelijk waar te nemen in indië, waar çiwa, de derde persoon der Indische Trimourti, een der mystieke schrijvers over architectuur genoemd wordt. In de Indische manuscripten vindt men verhandelingen over architectuur, astromonie en astrologie vereenigd. Ook lezen wij in de voorhistorische geschiedenis van indië, dat maya de stad yudhusthira bouwde en werken over bouwkunde en astronomie naliet, waarin o.a. wordt uitgelegd, hoe een kompas en een zonnewijzer gemaakt moeten worden.
 De oudste Egyptische monumenten (de tempel van denderah uitgezonderd, — waarvan men met zekerheid den ouderdom bepalen kan) dateeren van de vierde dynastie en zij die met de Egyptische kunst vertrouwd zijn, beweren eenstemmig, dat de oudste monumenten de eenvoudigste en schoonste zijn en dat men, behoudens een vluchtigen opbloei door tijdelijke nationale welvaart of door de regeering van een beroemd vorst een langzamen achteruitgang kon aanwijzen, [ 74 ] die met den tijd gelijken tred hield. Vele Egyptologen zijn dan ook overtuigd, dat er nog schooner monumenten zullen worden ontdekt, welke de tot nu toe bekende zullen overtreffen.
 Dit trapsgewijs verval was het gevolg van den achteruitgang van het ras, zoodat dit niet meer den geheelen omvang der wijsbegeerte kon vatten en deze zelf kon staande houden. Daar we mogen veronderstellen, dat, zoolang het heelal zal blijven omwentelen, nimmer het geheim van zijne beweging zal verloren gaan, omdat deze beweging de concrete werking van het innerlijk geheim is, kunnen we ook aannemen, dat misschien enkele individuen in staat zullen zijn het te begrijpen en te bewaren. Hieruit volgt evenwel niet dat ten allen tijde een of ander ras voldoende zal zijn ontwikkeld, om tot zulk een grens een gedeelte der wijsbegeerte te bevatten, als noodig is om eene monumentale kunst te doen ontstaan en levend te houden.
 Het langzame verval der Egyptische kunst, waarmede we echter niet bedoelen de totale ontaarding, die onstoud door den verbasterenden invloed der grieken, of door de overheersching der romeinen, is dus een bewijs, dat de kunst als schoone onthulling der wijsbegeerte, meer en meer haar levend principe verloor.

Aan de grieken komt niet de eer toe, de oorspronkelijke, zuivere kennis, die gaandeweg grover werd omhuld, wederom tot haren primitieven glans te hebben teruggebracht. Evenwel moeten we eerbied hebben voor de macht van uitdrukking, die zij ondanks het onvolkomen organisme, waarmede zij gewerkt hebben, nog konden bereiken.
 Ieder esteticus weet ons te vertellen, dat de Grieksche kunst de meest volmaakte is. Logisch consequent moet daar dan op volgen, dat de Grieksche wijsbegeerte de meest verhevene was en het diepste doordrong in de kennis van het transcendentale. Dit mag echter betwijfeld worden, daar zich terstond de vraag aan ons opdringt, waarom de Egyptische wijsgeeren dan niet naar griekenland gingen om hunne kennis uit te breiden, en waarom de grieken hunne mysteriën niet naar egypte overbrachten. We weten echter, dat de feiten juist omgekeerd zijn en dat bijna alle Grieksche wijsgeeren volgelingen der Hermetische wijsbegeerte waren en dat de Grieksche mysteriën door egyptenaren zijn ingesteld.
 De bewering onzer estetici, die de Grieksche kunst als het ideaal der schoonheid noemen en voorstellen, kan men verontschuldigen door de bedenking, dat zij misschien niet geweten hebben, wat aan de Helleensche kunst voorafging. Doch wanneer Egyptologen, wier kennis in geen enkel opzicht mag betwijfeld worden, zich nog laten verleiden tot het napraten der domme meeningen van kunstleeraren, dan wijst dit op eene interessante soort van abnormaliteit — nl. dat vele menschen meer vertrouwen hebben in de domme praatjes van anderen, dan in eigen waarneming.

Zoo moeten we door den Egyptoloog wilkinson, wien het zeker niet aan gestreng onderzoek heeft ontbroken, en wiens nauwlettende toewijding ons overal aangenaam aandoet, den grootsten nonsens hooren uitkramen. Gelukkig kunnen we echter constateeren, dat hij zich zelven tegenspreekt. Hij zegt het volgende:
 „Het genie der Egyptische kunstenaars was beperkt door de voorschriften. Zij waren niet in staat een geheel te maken, dat een ware uitdrukking geeft (?). De deelen zijn goed, doch vormen geen harmonie (?). Hun beelden zijn zonder uitdrukking. Zij hadden geen algemeen overzicht, geen idée van het effect, dat verlangd werd om een priester van een krijgsman te onderscheiden.”

wordt vervolgd.