Bataviaasch Nieuwsblad/Jaargang 55/Nummer 151/Op den Uitkijk

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Op den Uitkijk
Auteur(s) Anoniem, John McCrae, Bernhard Ragner
Datum Vrijdag 24 mei 1940
Titel Op den Uitkijk. Aan U hem hoog te houden.....
Krant Bataviaasch Nieuwsblad
Jg, nr 55, 151
Editie, pg [Dag], derde blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Op den Uitkijk

Aan U hem hoog te houden.....

      Een te Batavia gevestigde Amerikaan die in den wereldoorlog heeft meegevochten zond aan het „Nieuws van den Dag” (behalve een gift in geld) de hier volgende Nederlandsche vertaling van een treffend stuk oorlogspoëzie.

      In Vlaandrens velden, waar de klaprozen groeien
      Temidden der kruisjes, rij aan rij,
      Die onze graven aanduiden: en in de lucht
      Vliegt de leeuwerik nog moedig zingend
      Overstemd door het bulderende geschut

      Wij zijn de dooden! Vóór enkele dagen
      Leefden wij, voelden den ochtendstond, zagen den avondgloed
      Beminden, en waren bemind, en nu... liggen wij

      In Vlaandrens velden.

      Herneemt onzen strijd met den vijand!
      Aan U werpen onze stervende handen
      De Toorts: Aan U hem hoog te houden!
      Als U met ons die sterven trouw breekt
      Zullen wij niet rusten, ofschoon er klaprozen groeien
      In Vlaandrens velden

      De inzender teekende er het volgende bij aan:

      In het Januari-nummer 1938 van de New York Times Magazine stond een artikel, waarvan ik een uittreksel aanhaal, dat gepubliceerd werd in April 1938 in the Readers Digest.

      Het artikel was oorspronkelijk geschreven door mr. Bernhard Ragner:

      „Twintig jaar geleden stierf in een Fransch hospitaal de man die het mooiste Engelsche gedicht maakte over den oorlog: Colonel John McCrae, een Canadeesch officier van Gezondheid.
      De drie onsterfelijke coupletten van „In het Vlaamsche land” werden geschreven in 1915, tijdens een stilte van den strijd, op een bladzijde, gescheurd uit een depeche-boek. Kolonel McCrae zond het gedicht anoniem aan de Punch, en de redacteur, die de schoonheid ervan erkende, liet het in een lettertype drukken, dat Punch slechts bij hooge uitzonderingen gebruikt. En als door een wonder bereikten de coupletten in een recordtijd de uiterste uithoeken der aarde.
      Wat het gedicht betreft, daarover schrijft McCrae’s commandeerd officier majoor-generaal E. W. B. Morrison, het volgende:
      Dit gedicht is letterlijk geboren uit vuur en bloed gedurende de heetste periode uit het tweede gevecht bij Yperen. Mijn hoofdkwartieren lagen in een loopgraaf in het bovenste gedeelte van den dijk van het Ypersche kanaal, en John had zijn verbandplaats in een uitholling aan den voet van den dijk. Tijdens verschillende perioden van het gevecht vielen de mannen die getroffen werden, den dijk af regelrecht in zijn verbandplaats. Verscheidene malen zagen hij en ik in die 16 dagen, hoe de aalmoezeniers hun dooden begroeven als er een oogenblik van stilte was.
      Zoo groeide de begraafplaats, kruis na kruis, rij na rij. Wij hoorden dikwijls de leeuweriken ’s morgens hoog in de lucht zingen, tusschen het ontploffen der granaten en het gedonder der vuurmonden naast ons, door. John vertelde me, dat hij het gedicht schreef tusschen de aankomst der partijen gewonden in.
      Sinds 1915 zijn de houten kruisen vervangen door marmeren, en een herdenkingskapel is gebouwd in de nabijheid van de plek waar McCrae zijn beroemd geworden regelen neerschreef; elke maand komen ex-soldaten van elk geloof en uit ieder land om er te bidden. McCrae zelf is daar dichtbij begraven en door de jaren is zijn graf ook een plaats geworden waar men peinst en bidt. Op den Wapenstilstandsdag worden elk jaar bloedroode papavers uit Vlaanderen op zijn laatste rustplaats gestrooid”.

      Terugziende op de gebeurtenissen van de afgeloopen 22 jaren, kan ik niets anders dan constateeren dat wij ernstig in gebreke zijn gebleven de toorts te grijpen, welke ons door onze gestorven vrienden werd toegeworpen en hun offer te rechtvaardigen in het belang van een zaak waarin zij geloofden en waarvoor zij vielen. Inderdaad heeft dat idee mij gedurende deze jaren dikwijls vervolgd en thans moeten wij toegeven: terecht.

      Er blijft ons slechts de plicht nog eens weer dezen strijd te voeren en nog eens door al de ellende van zooveel jaren geleden, te gaan. Iedere weldenkende Amerikaan van heden, daar kan ik voor instaan, kan niet anders dan met mij instemmen, en zeker ieder van ons, die – den oorlog en zijn verschrikkingen verfoeiend – dezen heeft medegemaakt en weet wat dit zeggen wil.

      En toch is het beter verslagen te zijn en onder te liggen dan dit niet te kennen.

      De geest van heden, van alle vrije mannen over de geheele wereld, zal dezelfde zijn: De Fransche geest van Verdun: On ne passé pas! en: Debout les Morts! De Britsche: Carry on! De Belgische: De Yzer. De Hollandsche: Je Maintiendrai! En de Amerikanen zullen ook hun dooden niet vergeten: het kan niet dat zij tevergeefs zouden zijn gevallen!